18/5/2010 De kracht van het kleine
<< terug"Nieuwe trends komen als enorme golven op ons af. Die kunnen je zo omver spoelen. De kunst is om op die golven mee te gaan, als een surfer voor de kust van Hawaï. Als je op de voorkant van de golf zit, is er een superdynamiek. Het lijkt veel rustiger om op de achterkant te peddelen, maar dat schiet niet op. Je raakt alleen maar verder achterop op wat er elders gebeurt.”
Dat zei Pieter Winsemius, oud-minister van VROM en bijzonder hoogleraar management duurzame ontwikkeling aan de Universiteit van Tilburg op 21 januari tijdens het eerste jaarcongres van het Trendbureau Overijssel.
Jaarcongres
Tijdens het jaarcongres werden drie nieuwe trendverkenningen gepresenteerd: de toekomst van dorpen, de toekomst van lokale energiewinning en de toekomst van de Overijsselse economie. Op het congres waren ruim 300 mensen aanwezig: bestuurders, volksvertegenwoordigers en mensen uit het bedrijfsleven. Het congres vond plaats in het garenmagazijn van Koninklijke Ten Cate in Nijverdal (waar ook Winsemius vroeger heeft gewerkt).
Voorkant van de golf
Volgens Winsemius zit de kracht in het kleine, in plaats van de macht van het grote. De uitdaging voor de regio Overijssel is om op de voorkant van de golf te zitten. En zo altijd voorop te lopen, op het gebied van energie bijvoorbeeld. “Daarvoor moeten we verbinden, samenwerken.” Bijvoorbeeld in netwerkorganisaties. “Een netwerkorganisatie is een organisatie waar mensen elkaar de hand vasthouden. Niet ieder op zijn eigen eilandje, maar samenwerken, een open bron. Dat maakt je kwetsbaar, maar je stelt jezelf open voor de mensen, de burgers, om mee te denken over jouw product.” Je moet volgens de oud bewindsman daarom als organisatie, als overheid, beginnen met vertrouwen geven. Dan krijg je ook vertrouwen terug.
Prehistorie
Dat geldt ook voor dorpen. Dat zijn niet meer de dorpen van twintig jaar geleden. Dus ook het beleid moet daarop worden aangepast. Maar in Den Haag hebben ze dat volgens Winsemius nog niet door. “Daar voeren ze nog een beleid van twintig jaar geleden.” Juist in dorpen is volgens Winsemius een heel aantrekkelijk vestigingsklimaat voor kleine bedrijven. Alleen je moet ze een plaats geven. “Dat hebben wij zelf in de hand met bestemmingsplannen. Een leegstaande boerderij wordt of een seksboerderij of een caravanopslag, of hij versloft. Dat is een vergissing. Het ministerie van LNV snapt geen hout van de nieuwe ontwikkelingen in dorpen. Er wonen bijna geen boeren meer in die dorpen, er is sprake van nog maar acht procent agrarische bedrijvigheid. Maar in Den Haag blijven ze beleid ontwikkelen, ook voor het openbaar vervoer, alsof wij nog in de prehistorie zitten. Dat komt omdat ze het platteland niet op het netvlies hebben, in Den Haag niet, maar ook in de provincies niet. Dat is een ernstige zaak.
De provincies op hun beurt gaan veel te beleefd met de pet in de hand naar Den Haag, vindt Winsemius. “Zo van: heeft u nog wat over?” Maar als Den Haag ook het geluid niet te horen krijgt, wat er in de dorpen zou moeten gebeuren om het levend te maken, dan weten ze ook niet dat het moet veranderen.
Dorpen veranderd
Want de dorpen zijn veranderd. Er wonen nu voornamelijk anderhalfverdieners. Meer dan de helft van de dorpsbewoners werkt in de stad. Winsemius: “Het is niet meer het dorp van vroeger, met alle bezwaren. Alleen hebben wij het nog niet op ons collectieve netvlies. De echte brede scholen moeten in de dorpen zitten. Daar moet de bibliotheek in zitten. Daar moet de gymnastiekzaal multifunctioneel gebruikt worden. In de goede dorpen vind je dat ook. Er gebeurt veel, maar er moet nog meer gebeuren.”
De overheden moeten hierin volgens Winsemius niet tevéél willen helpen. “Als een groepje ambtenaren naar een bijeenkomst met burgers gaat, weten zij zoveel meer dan die burgers, dat deze ophouden met denken. Dus je moet weten wanneer je er wel bent en wanneer niet. De kunst van het openbaar bestuur is dus het niet helpen. Dat geldt ook voor het bedrijfsleven.”
Energie
Ook op het gebied van energie geldt de kracht van het kleine, aldus Winsemius. “Je moet het kleine groot maken, van onderen af denken, vanaf de frontlinie, de gebruiker. Als je hele blokken huizen mee kunt krijgen, die hun energiebesparing samen gaan doen. Daarvoor heb je de woningbouwcoöperaties nodig. Je zou een financieringsconstructie kunnen overwegen, een soort leasekoop. Gebruikers betalen hetzelfde bedrag als nu, misschien een tientje meer of minder, en over een x-aantal jaar is het van hen. Dan is het afbetaald. De provincie zou hieraan kunnen meefinancieren. Zo heb je als provincie twee voordelen: je bespaart energie en het biedt zelfbescherming. Want het opzij gelegde geld kun je niet twee keer uitgeven. En over een aantal jaar komt het weer vrij.”
Ultraspannend
Volgens Winsemius moet in Overijssel het beste researchcentrum ter wereld worden opgezet op het gebied van duurzame energie. “Proberen de beste wetenschappers naar je toe te halen. Dat kost misschien honderd miljoen euro per jaar, maar dan zorg je dat je het beste hier hebt, zodat je de grootste kans hebt dat als er wat gebeurt op het gebeid van duurzame energie, dat het in Nederland gebeurt.” Hij noemt als voorbeeld de zogenaamde ‘toptechnologische instellingen’. Hiervoor komt de helft van het geld van het bedrijfsleven en de helft van het geld van de overheid. Winsemius: “Dan máák je beleid. Energiebeleid, wetenschapsbeleid en technologiebeleid. Dat is ultraspannend. Je kunt voor honderd miljoen een hoop regelen in de samenleving, zonder er stuk van te gaan.”
Vonk
Volgens de oud-minister heb je hiervoor drie dingen nodig: richting, visie en vertrouwen. “En een vonk, een paar man die de vlam in de pan zetten. Aanvallen. Daar moet je de voortrekkers van de samenleving op aankijken. Dat zij die vonk overbrengen. Dan gaat er iets heel moois gebeuren.”
Jaarcongres Trendbureau 21 januari 2010 l lezing Pieter Winsemius
