Afgelopen dinsdag publiceerden het PBL en het CPB Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s [1]. De studie is een opvolger van de Welvaart en Leefomgeving scenario’s van de twee instituten in 2006 [2]. De scenariostudies zijn belangrijk, al was het maar omdat het rijk ze als basis gebruikt voor allerlei verkenningen over bijvoorbeeld de toekomst van mobiliteit, wonen of de regionale economie.

 

De update is welkom. Na 2006 is er een crisis ontstaan die de vooruitzichten van Nederland veranderenden. In 2012 kwam het CPB nog tot de conclusie dat de oude scenario’s nog stand hielden [3]. Inmiddels is men denkelijk terecht op andere conclusies gekomen.

 

Wat opvalt is bescheidenheid. Geen grootse vergezichten over de internationale ontwikkelingen, zoals in de eerdere studie. De planbureaus noemen het zelf ´rustige´ scenario´s – het is alsof ze verlangden naar wat minder hectische tijden in Nederland dan de afgelopen jaren. Die rust geldt ook voor de veronderstelde groei: in het lage scenario is dat 1 procent, in het hoge 2 procent.

 

Curieus is de legitimatie om met rustige scenario’s te werken. De eerdere WLO scenario’s leverden een te grote bandbreedte op om maatregelen te toetsen en toekomstvisies te maken: de extremen lagen te ver uit elkaar. Een andere conclusie is dan logischer: zorg dat  de beleidsmaatregelen zo aanpasbaar zijn dat ze rekening kunnen houden met een variëteit aan toekomstige ontwikkelingen. De afgelopen jaren toonden hoe wild die kunnen zijn. De planbureaus doen het andersom: ze passen de werkelijkheid aan, zodat de beleidspraktijk niet hoeft te veranderen.

 

Voor de gebieden buiten de Randstad is het interessant dat men nadrukkelijk werkt met twee mogelijkheden: ofwel een verdere stedelijke concentratie, ofwel een spreiding van mensen en economische dynamiek. Men laat nadrukkelijk in het midden welke impact de techniek op de ruimtelijke ontwikkeling zal hebben. De studie lijkt daarin het gedachtegoed van de NL 2040 scenario’s mee te nemen [4]. Dat is mooi, omdat de planbureaus daarmee ingaan tegen de ‘triumph of the city’ retoriek die we tegenwoordig vaak horen – en die als we niet oppassen door beleid een self fulfilling prophecy wordt.

 

Jammer is dan wel weer dat het spreidingsscenario tegelijk een laag economisch scenario is. Hier wreekt zich de scenario-methodiek, die mensen er toe verleidt tamelijk willekeurig ontwikkelingen aan elkaar te koppelen. Gelukkig hebben de planbureaus ook ‘onzekerheidsverkenningen’ gemaakt, waar een hoge economische groei gekoppeld is aan spreiding [5].

 

Het is best mogelijk dat over een paar jaar de wereld toch weer wilder blijkt dan het CPB en het PBL nu doorgerekend hebben, maar het is fijn dat deze actualisatie er nu is.

 

Voetnoten:

  1. http://www.wlo2015.nl/
  2. http://www.welvaartenleefomgeving.nl/inleiding.html
  3. http://www.cpb.nl/publicatie/actualiteit-wlo-scenarios
  4. http://www.nl2040.nl/
  5. Zie bijvoorbeeld http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/bijlagen/cpb-pbl-boek-19-wlo-2015-regionale-ontwikkelingen-en-verstedelijking.pdf blz. 9.

Het is met 3D-printen net zoals met veel innovaties. Eerst voorspellen de goeroes revoluties in de economie. En daarna besluiten we ‘en masse’ dat de nieuwe techniek de oude wereld toch grotendeels hetzelfde laat. Dat laatste is echter toch wat te snel geconcludeerd, als we het over Overijssel en 3D-printing hebben.

 

Eens: er was een te groot verschil tussen de verhalen over disruptieve ontwikkelingen en het vriendelijk en vooral héél langzaam zoemende machientje dat prullaria in vies-plastic kleuren opbouwde. Zou dat schildpadje onder de machines onze productieprocessen moeten ontregelen? Ook de gedachte dat we naast ons koffiezetapparaat een 3D-printer op het aanrecht hebben staan is wellicht verre toekomstmuziek. Voorlopig moeten we nog zelf koken en met de kapotte bril naar de opticien.

 

Maar er zijn twee ontwikkelingen die aandacht vragen. Ten eerste is het niet de consumentenmarkt, maar die van de business-to-business waar de 3D-printers binnendringen. En dat raakt de industrie in Overijssel. Ten tweede ontwikkelen 3D-printers zich snel.

 

Sanders Gears Castings Machining in Goor installeerde in april 2014 de toen grootste 3D printer van Nederland. Hij maakt modellen voor de ijzergieterij. Die modellen werden eerst van hout of kunststof gemaakt – een tijdrovende klus. De 3D printer kan het sneller en precies, kan complexere structuren aan, en je hoeft het model niet te bewaren: dat staat in de computer [1]. Last but not least: de printer is flexibel. Er kunnen snel nieuwe specificaties worden toegepast. Sanders is niet de enige. De Harvard Business Review rapporteert dat in 2014 de verkoop van industriële 3D printers in de US qua omvang één derde was van alle industriële automatisering en robotisering [2]. Als die ontwikkeling zich doorzet, wordt 3D-printing ook voor de andere maakindustrie in Overijssel belangrijk.

 

De 3D-printers ontwikkelen zich. Er zijn alternatieven voor de langzame ´laag voor laag´-techniek [3]. Allerlei materialen kunnen worden geprint. Naast plastics bijvoorbeeld glas, composieten, keramiek, beton en metalen.. Er zijn printers die producten met meerdere materialen in één stuk kunnen maken. 3D-printers kunnen structuren maken die eerder ondenkbaar waren, waardoor bijvoorbeeld vliegtuigvleugels lichter en sterker kunnen worden.

 

Dit zijn ontwikkelingen die wel degelijk impact hebben op de maakindustrie in Overijssel – al was het maar omdat we een grote staalsector hebben. Er is veel meer maatwerk mogelijk. Designers en makers zullen naar elkaar toegroeien. Bedrijven zullen nieuwe wegen gaan verkennen: zo´n 3D-printer kan immers ook andere dingen maken dan waarvoor je hem gekocht hebt. En tot slot: nu staan de printers nog in de fabrieken. Het vergt echt kunde om ze te bedienen. Maar is het heel vreemd om te denken dat een automobielfabrikant printers neerzet bij zijn dealers – zodat reserve-onderdelen snel gemaakt kunnen worden? Gedecentraliseerde productie ligt in het verschiet – inderdaad: uiteindelijk tot bij de consument.

 

3D-printing biedt ook kansen voor Overijssel. We zijn van oudsher sterk in materialen. De bedrijven rond Polymer Science Park lopen bijvoorbeeld voorop bij de zoektocht naar nieuwe materialen voor 3D-printing [4]. En ook in specifieke sectoren zoals medische 3D technologie – het maken van protheses – zijn Overijsselse bedrijven en kennisinstellingen actief. Tot slot is ook de creatieve sector, bijvoorbeeld in Kunstenlab in Deventer, bezig met 3D-printing – mooi, omdat de maakindustrie straks deze ontwerpers vaker nodig zal hebben. Het zou mooi zijn als de provincie voor op de golf van deze nieuwe technologie kan blijven acteren.

 

 

Voetnoten:

  1. http://www.sanders.biz/nieuws/grootste-3d-printer-van-nederland!.html
  2. Richard D’Aveni, The 3-D Printing Revolution, Harvard Business Review, May 2015.
  3. http://www.technologyreview.com/news/535881/high-speed-3-d-printing/?utm_campaign=newsletters&utm_source=newsletter-weekly-computing&utm_medium=email&utm_content=20150319
  4. Zie bijvoorbeeld http://www.polymersciencepark.nl/ en http://www.kennispark.nl/nl/nieuws/9771-3d-printlab-geopend-in-nieuwbouw-saxion/ 

 

Ook in 2015 publiceerde Dynamis het jaarrrapport ‘Sprekende cijfers kantorenmarkten’ [1]. Het is geen vrolijke lectuur. Direct in de inleiding constateert het rapport dat ‘…voor het overgrote deel van de kantorenleegstand van dit moment geen toekomst meer is’. Landelijk gezien is er een groeiend aanbod van meer dan 7 miljoen vierkante meter kantoorruimte. De opname van de laatste jaren schommelt rond de 1 miljoen vierkante meter.

 

 

Binnen Overijssel is de kantorenleegstand vooral een stedelijke probleem als je naar de omvang van het aangeboden oppervlakte kijkt, met Zwolle als koploper. Procentueel gezien staan in Haaksbergen en Staphorst de meeste kantoren leeg.

 

 

De leegstand kent allerlei oorzaken. De crisis is er natuurlijk één van. Vanaf 2010 stijgt het aanbod en daalt de vraag. Maar Dynamis laat er geen gras over groeien. Er zijn zonder meer ook structurele oorzaken. Andere manieren van werken is daar één van. We gebruiken minder vierkante meters per werknemer. Dat komt vooral doordat we meer thuis en op locatie werken. We zijn niet meer aan kantoor gebonden. Ook nieuwe kantoorconcepten spelen een rol.

 

 

Hoe reageren we op deze ontwikkeling? Ten eerste is er een scherpere tweedeling tussen goede, kansrijke locaties en de plekken waar het nooit meer wat gaat worden. Ten tweede transformeren we: kantoren worden woningen, horeca of zelfs landbouwoppervlak waar plantjes onder kunstlicht groeien. In veel gevallen is alleen een derde optie mogelijk: slopen.

 

 

Bovendien kijken we hoe kantoren weer bijzonder worden, en nauwer kunnen aansluiten bij de wensen van de gebruikers. Duurzame kantoren, gezonde kantoren, flexibele kantoren, deelkantoren… Het kost een crisis, maar dan heb je ook wat: de werkplek wordt weer leuk.

 

 

Er is een verdere toekomst. Na de automatisering van de landbouw en de industrie komt nu die van het kantoorwerk op gang. En zoals veel boerderijen en fabrieken nu erfgoed zijn, zullen ook kantoren straks grotendeels de overblijfselen van een verleden zijn: de ruines van de intensieve menshouderij.

 

 

Voetnoten:

  1.  http://dynamis.nl/documents/DYN//2872_Dynamis-Sprekende-Cijfers-Kantorenmarkten-2015-DEFINITIEF.pdf

Charles Leadbeaters longread ´The Whirpool Economy´ is een lezenswaardige bijdrage aan de discussie over de toekomst van de middenklasse [1]. Hoe kan het dat we een periode doormaken van enerzijds zeer veel innovatie, en anderzijds economische stagnatie? Meestal gaat innovatie toch gepaard met economische dynamiek? Zijn antwoord is: ongelijkheid.

 

De baten van de technologische revolutie komen ongelijk terecht. Om het in één beeld neer te zetten: Uber verdient het grote geld, de Uberpop-rijder misschien een loon, de gewone taxichauffeurs hebben het nakijken.

 

 

Op zichzelf is deze diagnose nog niet zo bijzonder. Andrew Keen in ´The Internet is not the Answer´ is een felle variant ervan, en datzelfde geldt voor Jaron Laniers ´Who owns the Future?´ (Andrew MacAfee, die binnenkort naar Nederland komt, is veel optimistischer in ´The Second Machine Age´).  Wat Leadbeater bijzonder maakt, is dat hij de aanpak van het vraagstuk van de ongelijkheid ook nadrukkelijk lokaal en regionaal zoekt.

 

 

Zijn antwoord:
1)    Focus je op de middenklasse. Zorg dat die koopkracht op peil blijft. Door negatieve belastingen,een basisinkomen, of door de kosten van wonen, transport, energie of kinderopvang te verminderen.
2)    Kijk naar andere indicatoren dan economische groei. Een fijne leefomgeving, contacten in de buurt: ze  zijn net zo belangrijk voor mensen. Er is een deel-economie, er zijn initiatieven met bewoners-cooperaties: koester die.
3)    Schroef de overheidsinvesteringen omhoog om groei te bevorderen.
4)    Focus niet op hightech innovatie, maar op sociale innovatie gericht op verbetering en kostenreductie van energie, zorg, onderwijs.
5)    De stedelijke gemeenschap is het niveau waar mensen goede ideeen kunnen uitwisselen.

 

Natuurlijk zijn deze suggesties stuk voor stuk open voor discussie. Tegelijk maken ze blij. Omdat ze de ruimte voor lokaal en regionaal beleid tonen. We zijn in Overijssel niet afhankelijk van regelgeving van de nationale overheid (natuurlijk…andere belastingen zouden helpen) of de innovatiestrategie van internationale bedrijven. We kunnen ook zelf iets doen.

 

 

Voetnoten:

  1.  http://www.g7g20.com/articles/charles-leadbeater-the-whirlpool-economy

De middenklasse is hot. Is er sprake van een afkalving van de middenklasse in Nederland en Europa – zoals dat in de Verenigde Staten aan de hand lijkt te zijn? Afgelopen maand liet minister Asscher in ieder geval een waarschuwend geluid horen, in zijn Willem Drees lezing [1]. Er dreigt een maatschappij te ontstaan met een bovenklasse en een onderklasse – zonder verbindende middenklasse. Hij ziet het als een opgave om die verbinding te behouden.

 

 

Als je een gesprek over de middenklasse voert, blijkt al snel dat het begrip verschillende invullingen krijgt. Er zijn er minstens drie. De eerste legt de nadruk op de sociaal-culturele waarden. Het verdwijnen van de middenklasse duidt vooral op de polarisatie in het maatschappelijk debat. Er is minder sprake van gemeenschappelijke waarden en gedeelde omgangsvormen bij meningsverschillen. Tweedekamerleden die elkaar uitmaken voor nep of een nul, dat beeld. De sociaal-culturele invalshoek is ook politiek te vertalen: het verdwijnen van de middenklasse zou geillustreerd worden door minder populariteit van de middenpartijen.

 

 

Bij de tweede betekenis van de term staat het besteedbare inkomen centraal. De claim is dat er steeds minder middeninkomens zijn, en meer mensen met ofwel een hoog, ofwel een laag inkomen. De Nederlandse indexen lijken inderdaad wat meer polarisatie te laten zien de afgelopen jaren (hoewel niet in Overijssel) [2]. Mensen waarderen dit verschillend, vooral om Nederland nog steeds een relatief egalitair land is.

 

 

De derde betekenis gaat over het opleidingsniveau. De middenklasse bestaat grofweg uit mensen met een MBO opleiding. Er zijn tekenen dat het aantal banen voor de middenklasse door robotisering daalt. Hieraan gerelateerd is ook de discussie rond flexibilisering. Relatief veel mensen met een lager opleidingsniveau hebben flexibele contracten.

 

 

Het is goed om deze betekenissen te onderscheiden, omdat eventuele maatregelen andere aangrijpingspunten hebben: een belastingmaatregel kan inkomens nivelleren maar leidt niet per se tot meer gemeenschappelijke cultureel kapitaal. Bovendien is het mogelijk dat je de middenklasse belangrijk vindt als het gaat om gedeelde waarden, maar dat je wat inkomens betreft toch meer de neiging hebt om de aandacht te focussen op mensen met de laagste inkomens [3].

 

 

Voetnoten:

  1. http://www.willemdrees.nl/
  2. http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=71512ned&D1=5&D2=0%2c89&D3=a&HDR=T&STB=G1%2cG2&CHARTTYPE=1&VW=G
  3. Op 5 november organiseert het Trendbureau een congres over de toekomst van de middenklasse, met Aart Jan de Geus, Charles Leadbeater en Robert Went.

U kent vast het fenomeen. Twee mensen zitten in een restaurant. De één gaat naar het toilet. Binnen een seconde heeft de ander zijn mobiel in de hand, en checkt de nieuwe berichtjes. Een treuriger variant bestaat ook: het koppel dat het gehele diner elk op de eigen telefoon het netwerk bijhoudt.

 

De impact van ICT op ons dagelijks leven behoeft geen betoog, we zijn verregaand afhankelijk van onze machines. U hoeft zich alleen maar het gevoel te herinneren van de laatste keer dat uw computer crashte (zoals ik recent had, toen ik niet meer bij mijn documenten kon na de installatie van Windows 10). Het is alsof de grond onder je voeten wegvalt. Het dagschema gaat compleet door de war, want ´je kunt niets meer´. Deadlines kunnen bij de schroothoop. Afspraken zijn met moeite te reconstrueren.

 

 

Maar het ´restaurant-fenomeen´ duidt op iets meer dan afhankelijkheid. We halen het eind van het diner ook echt wel zonder nieuwe informatie. Er is geen objectieve reden om je telefoon telkens te raadplegen. Het gaat hier niet om een noodzaak, maar een mentale afhankelijkheid – een verslaving. De eerste blik op nieuwe berichtjes, het verbonden zijn, levert dezelfde sensatie op als de sigaret na de maaltijd of een borrel na een dag vol stress. Het maakt allerlei heerlijke stofjes in ons brein los. Even zijn we gelukkig.

 

 

Of…misschien moeten we toch iets verder denken? De term verslaving houdt een oordeel in. Bij verslavingen gaat om sensaties die uiteindelijk niet goed zijn voor de mens. Ze zijn niet natuurlijk. Terwijl we hier misschien juist te maken hebben met een compleet natuurlijk verschijnsel. De mens leefde ooit in groepen. Is het individu niet de aberatie, en het kuddedier de norm? Is het tweegesprek de tegennatuurlijke uitvinding, en het opgaan in de groep de natuur? Wat wij in het restaurant zien is de nieuwe mens. Leve de groep!

 

De combinatie van vrolijkheid en landbouw is zeldzaam [1]. Het is een serieuze sector. Niet voor niets: dalende melkprijzen, wereldvoedselvraagstuk, effecten op natuur en landschap. Daar moeten we over vergaderen, over protesteren en over beslissen. Lachen is wel het laatste waar we aan denken.

 

Alleen al om die reden is ´Agri meets Design´ een opluchting. Wat een vrolijkheid!  ´Agri meets design´ is een platform waar boeren samen met ontwerpers werken aan nieuwe ideeen. Het spel Pigs Chase bijvoorbeeld. Op je tablet kun je thuis een spelletje spelen met een varken in de stal. Het varken moet lichtprojecties volgen die jij bestuurt. Als je samen langs bepaalde doelen beweegt krijg je punten. Leuk, en goed tegen de verveling voor zowel het varken als voor jou [2].

 

De combinatie van design en de Landbouw levert nog veel meer leuke projecten op [3]. Een app om voedselverspilling tegen te gaan, een melksalon waar kunstenaars en boeren nieuwe melkconcepten bedenken, of ´de koeientuin´: een nieuw stalconcept [4].  Er is een lichtheid in de benadering die aanspreekt. Het geeft energie.

 

Bij innovatie denken we al snel een wetenschappers en technologen. Terecht…maar ook kunstenaars en vormgeving zijn belangrijk. De IPhone is geen wondertje van techniek, maar van vormgeving. En daar wordt veel geld mee verdiend. De Overijsselse agrarische sector kan baat hebben bij meer contact met creatieven, bij onconventionele oplossingen voor verstarde problemen. En dat geldt net zozeer voor de maakindustrie – en waarom niet: de beleidsmakers [5]!

 

Daarom een oproep. Hou het programma van de Dutch Design Weeks in de gaten [6]. En kijk wat de nieuwe editie van ´Agri Meets Design´ op het programma heeft staan. Zouden we ook hier weer kunnen lachen.

 

Voetnoten:

  1. Google levert welgeteld één hit op, een pleidooi voor meer vrolijkheid in de landbouw van een Wageningse professor: http://library.wur.nl/WebQuery/groenekennis/1210823
  2. http://agrimeetsdesign.com/playing-with-pigs/
  3. http://issuu.com/foodcabinet/docs/agmd_magazine/1
  4. http://www.koeientuin.nl/index.php/nl/
    In augustus was er een bijeenkomst voor de maakindustrie en de creatieve sector in Overijssel. Hij was interessant, maar toonde tegelijk ook de verschillen. Zie
  5.  http://trendbureauoverijssel.nl/agenda?news_id=276293
  6.  http://agrimeetsdesign.com/

Afgelopen week hield minister Asscher de Willem Dreeslezing. Volgens hem staat de middenklasse onder druk. De crisis heeft de middenklasse flink geraakt. Mensen hebben hun baan verloren. De toenemende flexibilisering van de arbeid tast de rechten van de werknemers aan.

 

Maar is de waarschuwing van Asscher niet  een verloren strijd? De trend naar flexibilisering was er al voor de crisis. Minder dan 40 procent van de jonge werknemers (van 15 tot 25 jaar) had in 2014 een vaste aanstelling. In 2003 was dit nog bijna 60 procent [1]. Als we mensen met een flexibel contract en de ZZP-ers bij elkaar optellen was de flexibele schil in 2012 meer dan 30% van de beroepsbevolking. Tien jaar eerder was dat minder dan een kwart. De flexibilisering neemt toe. De maatschappij versnelt. Bedrijven moeten snel kunnen inspelen op wisselende omstandigheden. Het verschijnsel ´vaste baan´ zou wel eens een fenomeen uit het verleden kunnen zijn.

 

Aan de andere kant heeft Asscher natuurlijk wel een punt. Deze week publiceerde het CBS het rapport ´Leefkwaliteit in Nederland´.  Over het algemeen is de leefkwaliteit in ons land prima. Maar er zijn wel verschillen. Flexwerk markeert er één van. Laagopgeleiden zijn vaker flexwerker dan hoogopgeleiden. En bij hoogopgeleiden en zelfstandigen gaat het minder gepaard met onzekerheid en laag inkomen. Bij laagopgeleide flexwerkers is de kwaliteit van leven lager [2].

 

Kernvraag van de toekomst is; kunnen we een snelle, flexibele economie combineren met een rechtvaardige samenleving? Hoe wapenen we mensen tegen de onzekerheid die flexibilisering met zich meebrengt? Hoe zekeren we kwaliteit van leven in een snelle wereld?

 

Werknemerszekerheden als CAO´s liggen niet voor de hand. Dat zijn verouderde afspraken tussen verouderde instituties. Als de vaste baan minder belangrijk wordt, geldt dat ook voor werkgevers- en werknemersorganisaties.

 

Zonder de noodzaak van ander landelijk beleid te miskennen: mogelijk ligt de oplossing ook op lokaal en regionaal niveau. Gemeenten zijn bezig met ideeen rond het basisinkomen. Groepen ZZP-ers richten overal in het land, en zeker niet alleen in de steden, broodfondsen op. Bedrijven betrekken tijdelijk arbeidskrachten vanuit ´pools´ met mensen met een vast contract. Is ´de´ oplossing voor een toekomst van zekerheid in een bewegelijke wereld gevonden? Nee. Maar aan alternatieven voor de oude oplossingen wordt  gewerkt.

 

Voetnoten:

  1.  http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/5EA70346-BDFF-4FF1-8AB3-87B3202B3732/0/2015kwaliteitvanleveninnederland.pdf, blz. 33.
  2.  http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/5EA70346-BDFF-4FF1-8AB3-87B3202B3732/0/2015kwaliteitvanleveninnederland.pdf, blz. 33-37.

In de zomer publiceerde de Algemene Rekenkamer het rapport ´Regionale Verschillen in langdurige Zorg´ . De resultaten zijn best opmerkelijk. De verschillenen zijn groot binnen Nederland. En Overijssel scoort hoog, zowel wat betreft het aantal mensen dat zorg nodig heeft, als de omvang van die zorg.

 

Er wordt meer professionele zorg geleverd dan je zou verwachten als je kijkt naar de gemiddelde leeftijd van de bevolking, de inkomens en de huishoudsamenstelling.
De resultaten zijn opmerkelijk, omdat ze tegen de eerste intuïtie ingaan. Overijssel is een betrekkelijk landelijke, groene provincie. Uit de dorpenmonitor van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat dorpelingen gezonder en gelukkiger zijn dan stedelingen . Je voelt je vitaler zodra je de IJssel over steekt, die heerlijke schone lucht!

Toch is dat maar een deel van het verhaal. Overijssel scoort op gemiddelde levensverwachting niet bijzonder goed, en Twente zelfs slechter dan Nederland – dat geldt vooral voor steden als Almelo en Enschede. We leven niet gezonder als je kijkt naar roken, bewegen of eten. Het drankgebruik onder jongeren op het platteland is ronduit zorgelijk.

Verklaren deze factoren het hoge zorggebruik? Misschien. Het zou ook kunnen dat mensen sneller naar professionele zorg worden doorverwezen. Zoals de rekenkamer zelf constateert: verder onderzoek is noodzakelijk. Wel weten we nu al, dat we niet zomaar uit mogen gaan van noaberschap als wondermiddel. Meer noaberschap betekent kennelijk niet: minder professionele zorg. De cijfers suggereren eerder het tegendeel. Dat is goed om ons te realiseren bij het vormgeven van het lokale zorgbeleid.

 

Voetnoten:

  1. http://www.rekenkamer.nl/Publicaties/Onderzoeksrapporten/Introducties/2015/06/Regionale_verschillen_in_langdurige_zorg
  2. http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2013/De_dorpenmonitor, zie blz. 203 e.v.

Afgelopen week schaarde Mercedes zich bij de Duitsers die de Syrische vluchtelingen welkom heten. De autofabrikant heeft werk voor ze, zo meldde het NRC. Het is een wat oneigenlijk perspectief, de arbeidsmarkt. De Syriërs ontvluchten een bizar bloedige oorlog. De zoektocht naar werk zal niet direct op hun netvlies staan. Toch hoor je het argument wel vaker. In krimpregio´s kunnen vluchtelingen voor nieuwe dynamiek zorgen. Ook Overijsselse bedrijven werven bijvoorbeeld technisch personeel ver over de landsgrenzen. De vluchtelingen zouden een deel van de oplossing kunnen zijn.

 

De integratiebarometer 2014 van Vluchtelingenwerk Nederland laat een genuanceerd beeld zien [1]. De arbeidsparticipatie van vluchtelingen is gemiddeld laag. Er zijn wel grote verschillen. Die hangen samen met land van herkomst en bijvoorbeeld opleidingsniveau, kennis van de taal en gezondheid. De barometer concludeert dat actief beleid noodzakelijk is, afgestemd op de concrete situatie van de vluchteling.

Kader Abdolah, schrijver en zelf vluchteling, beschrijft in ´Papegaai vloog over de IJssel´ de komst  van een groep vluchtelingen in Zalk en andere dorpen langs de IJssel. De integratie gaat met horten en stoten. Hij hangt van toevallige ontmoetingen, misverstanden en plotselinge liefdes aan elkaar.  Het is een ontroerend en toch ook optimistisch beeld dat hij schetst. Met veel van de romanpersonages loopt het goed af. Ze vinden werk. Ze trouwen.  Veel hangt af van contact met Nederlanders. Als zij en wij er energie in stoppen, zullen ze integreren en onze economie versterken [2].

Maar het echte economische effect van de huidige vluchtelingencrisis is wellicht fundamenteler. Europa is rijk. Dat bepaalt onze gebruikelijk houding. Die is angstig [3]. Logisch… we hebben immers veel te verliezen. Willen mensen niet teveel ons? Maar nu ontdekken we een andere houding: we kunnen ook delen. Europa is niet het Avondland dat langzaam aan behoudzucht, vergrijzing en verkalkte procedures ten onder gaat. We hebben de wereld wat te bieden: vrijheid, veiligheid, een manier van leven. We zijn een trots Europa dat voor zijn waarden staat. Dat geeft energie en hoop voor de toekomst.

 

Voetnoten:

  1. https://www.vluchtelingenwerk.nl/sites/public/Vluchtelingenwerk/Publicaties/VWNIntegratiebarometer2014.pdf
  2. Op 7 oktober, om 16.00 uur zal Heleen Mees in het stadhuis van Hengelo een lezing geven over de toekomst van arbeidsmigratie. Zij zal een internationale vergelijking maken van het beleid hierover.
  3. Zie ook Dominique Moisi: de geopolitiek van emotie, hoe culturen van amgst, vernederig en hoop de wereld veranderen, Nieuw Amsterdam, 2009.