Afgelopen vrijdag keurde het kabinet het Klimaatakkoord van Parijs goed. Als de Eerste en Tweede Kamer het daar mee eens zijn, ratificeert ook Nederland dit verdrag (na onder andere China en de Verenigde Staten: we zij niet haantje de voorste). Dit betekent dat we de temperartuurstijging tot ruim onder de 2 graden Celsius willen houden, bij voorkeur onder de 1,5 graden Celsius [1].

 

Juist vorige week publiceerde het Planbureau van de Leefomgeving ook de Balans van de Leefomgeving 2016 [2]. Daaruit bleek dat er nogal wat consequenties zijn aan ratificatie van het klimaatakkoord – ook voor Overijssel. De langere termijndoelstellingen voor de reductie van broeikasgassen voor de EU (min 40% in 2030 ten opzichte van 1990) zijn onvoldoende om de temperatuurstijging voldoende te temperen. De doelstellingen voor 2050 (een reductie van 80 tot 95 %) zijn fors.

 

Dit zal om te beginnen consequenties hebben voor het energiebeleid. Het PBL is bezorgd over de insteek van het kabinet, dat primair voor technische innovatie gaat. Het planbureau bepleit ook een richtinggevender rijksbeleid: alleen op die manier weten andere partijen waar ze aan toe zijn.

 

Het PBL wijst er verder op, dat klimaatbeleid verder gaat dan energie. De reductie van broeikasgassen in de landbouw blijkt lastig. De landbouw is verantwoordelijk voor zo´n 13% van de broeikasgassen nu, en dat zou oplopen tot zo´n 25% in 2050 (als andere sectoren de beoogde uitstootvermindering realiseren). Dat is fors. De glastuinbouw is daarbij belangrijk, maar – voor Overijssel relevant – ook het melkvee. Het moet minder winden in de wei.

 

Voetnoten:

  1. https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2016/09/16/kabinet-omarmt-klimaatakkoord-parijs
  2. http://themasites.pbl.nl/balansvandeleefomgeving/wp-content/uploads/pbl-2016-balans-van-de-leefomgeving-2016-1838.pdf

 

 

‘Mainports Voorbij’: dat is het nieuwe advies van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur [1]. De Randstad is in rep en roer. Rotterdam en Schiphol zijn boos. En ook het ministerie van I&M is uitgesproken: ‘Het buitenland lacht ons uit om deze visie. Die denken ‘ga je gang maar’ [2]. Toch is het een belangwekkend rapport – ook voor Overijssel.

 

Strikt genomen zegt de raad niet zoveel bijzonders. Namelijk: weeg de investeringen in de mainports af tegen de kosteneffectiviteit van alle andere inspanningen die je kan doen om het vestigingsklimaat in Nederland te optimaliseren. En, als tweede, betrek daar ook de te verwachten ontwikkelingen bij als het gaat om bijvoorbeeld digitalisering, de veranderende geopolitieke verhoudingen, andere productiewijzen, etc. Gewoon gezond verstand, zou je denken.

 

 

IenM vindt het rapport een gemiste kans want de RLI geeft geen advies over hoe we onze mainports beter kunnen gebruiken om onze concurrentiepositie te verbeteren. Maar daarmee missen ze het punt van de Raad. IenM neemt het belang van de mainports als uitgangspunt, terwijl de RLI dat nader wil onderzoeken. En dat lijkt na 30 jaar mainportbeleid niet zo´n goed gek idee.

 

 

Interessant voor Overijssel zijn drie dingen:
1) De raad focust – net als de rijksoverheid – erg op de Randstad en Eindhoven, maar bepleit wel degelijk ook een open onderzoek naar het economisch belang van andere regio’s voor het Nederlandse vestigingsklimaat . Het is goed om als regio daar op in te spelen.
2) De positie van de mainports zal de komende jaren veranderen. Het is goed om in het eigen beleid rond logistiek en goederenvervoer daar rekening mee te houden. Zo kunnen de economische ontwikkelingen in Oost- Europa en nieuwe treinverbindingen tussen China en Europa er voor zorgen dat goederenstromen veranderen.
3) De raad gaat uitvoerig in op de ‘zachte’ vestigingsfactoren als een goede kennisinfrastructuur, de arbeidsmoraal, natuur- en landschap en het culturele klimaat. Dat zijn factoren waar het Oosten op in kan spelen.

 

 

Het is zaak de discussies over het rapport van de RLI goed in de gaten te houden en als Oost Nederland daar ook actief in te participeren.

 

 

Voetnoten:

  1. http://www.rli.nl/publicaties/2016/advies/mainports-voorbij
  2. http://www.logistiek.nl/distributie/nieuws/2016/7/advies-mainports-beleid-zorgt-voor-storm-van-kritiek-101145580 Via deze site is de speech van Mark Frequin van IenM te beluisteren. Klik op het veelzeggende linkje ´Hij liet geen spaan heel van het advies.´ Op. cit, blz. 18.

 

Goed nieuws over de participatiemaatschappij: hij werkt! In ieder geval in kleine dorpen. Midden in de zomer publiceerde het Sociaal Cultureel Planbureau´De dorpse doe-democratie´[1] . De krachtige beginrijm van de titel bevestigt de conclusie. Het beeld overheerst ´van een platteland dat openstaat voor een samenleving met een grotere rol voor inwoners.’.

 

Het rapport is belangrijk want het weerspreekt een angst van deskundigen. Namelijk dat de participatiesamenleving grotere ongelijkheid zou betekenen. Immers, zo luidt de redenering, sommige groepen zijn effectiever in het realiseren van hun idealen dan anderen. Ze verwoorden hun wensen makkelijker, hebben de netwerken, etc.

 

Het SCP meet niet veel verschillen in wat diverse groepen bewoners belangrijk vinden als het gaat om de leefbaarheid van kleine dorpen (het onderzoek gaat over dorpen met minder dan 3000 inwoners). Er zijn wel verschillen in de mate van activiteit. Maar ook de minder actieve mensen waarderen het werk van hun medebewoners. Een een meerderheid van 55% van de ondervraagden vindt dat bewoners meer te zeggen zouden moeten hebben [2].

 

Is er dan alles koek en ei op het platteland? Nou, dat ook weer niet. De dorpelingen zijn minder te spreken over de gemeenten. 43% van de ondervaagden vindt dat gemeenten open staan voor initiatieven van dorpelingen. Dat is een minderheid. Ook over de effectiviteit van de dorpsraad wordt door een meerderheid getwijfeld. Ook in Overijssel zie je tegenwoordig vaak dat allerlei verschillende groepen in dorpen actief zijn.

 

Voetnoten:

  1. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/De_dorpse_doe_democratie
  2. Overigens gaat dit rapport niet in op onderlinge zorg in dorpen. Daar heeft het SCP recent andere studies over gepubliceerd.

Wilt u een mooi beeld zien van polarisatie in Overijssel? Download dan het rapport ´Actief Communiceren in Sociale Netwerken´ [1]. Het is geschreven door Lidwien van de Wijngaert, werkzaam bij de UT. Ze visualiseert de discussie in de sociale media over de komst van een AZC naar Enschede. We zien gescheiden werelden. Aan de ene kant is er de Facebookpagina AZC Alert (later: AZC Alarm), aan de andere kant die van Welkom in Enschede.

 

De meeste mensen ´liken´ of plaatsen berichtjes op slechts één van de sites. Die berichten versterken meestal het standpunt dat al ingenomen is. Er zijn twee grote wolken van éénstemmigheid rond emoties en morele oordelen. Mensen die een ander geluid laten horen op één van de twee sites, worden geweerd: ´post op je eigen pagina!´. De plaat van Van de Wijngaert laat ook mooi zien hoe klein de groep verbinders is. Dat zijn de mensen die op beide pagina´s publiceren.  Ze nemen een minder helder standpunt in. Ze benoemen bijvoorbeeld een dubbel gevoel of vragen naar de motieven van de vluchtelingen.
Grote afwezige in de discussie is de zwijgende meerderheid. Hoe populair ook de Facebookpagina´s zijn, het blijven kleine minderheden die zulke uitgesproken meningen hebben – en een nog kleinere minderheid die de moeite neemt om de strijdende partijen te verbinden. In dat licht is de site ´dare to be grey´ een verademing [2]. Wat heerlijk! Mensen die de wereld ingewikkeld vinden. Die niet een mening klaar hebben staan. Ik hoop op een opstand van de grijze massa. Dat zijn de mensen waarmee we naar een oplossing voor de problemen kunnen zoeken.

 

Voetnoten:

  1. https://cfes.bms.utwente.nl/wp-content/uploads/2016/04/ActiefCommunicerenInSocialeNetwerken.pdf. Zie bladzijde 10 en volgende.
  2. http://www.daretobegrey.org/

De [1] toekomst is de plek van mogelijke dromen. Dromen: het is waar we onze idealen realiseren. Maar ook: mogelijk. Luchtkastelen hebben ook in de toekomst geen plek. Maar…hoe bepaal je nu wat een mogelijke droom is, en wat niet? Twee stappen lijken mij belangrijk. Eerst kijken we naar de mogelijkheid, dan naar plausibiliteit.

 

Stap 1. De Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid zegt het mooi: de toekomst is open, maar niet leeg [2]. De toekomst is open: hij is niet gedetermineerd, niet bepaald. Er is onzekerheid en er is vrijheid. Maar aan de andere kant is de toekomst niet leeg. Niet alles kan. Er zijn natuurwetten. Er zijn feiten. We zijn Overijssel, met al onze eigenaardigheden: cultuur, mensen, bedrijven. Er zijn politieke en economische ontwikkelingen die wij niet in de hand hebben. Besluiten van de regering, de KNVB, internationale bedrijven.

 

Open, niet leeg: precies daar zit de ruimte voor keuzes. Als toekomstverkenner onderzoek je de omvang van die ruimte. Precies daar zit de ruimte voor onze verbeelding, voor mogelijke dromen, voor onze beslissingen.

 

Stap 2. Het realiseren van dromen is makkelijker als je kunt meebewegen met ontwikkelingen. En het is daarbij belangrijk je te realiseren dat ontwikkelingen heel snel kunnen gaan.

 

De rustige ontwikkelingen, die zien we meestal wel. Denk aan de vergrijzing. Nu zo´n 15% 65-plussers, over 20 jaar zo´n 25%. Je hoeft geen glazen bol te hebben om te zien dat daar kansen liggen voor de Overijsselse economie. Meer dan 16% van de Overijsselaars werkt nu al in de zorg [3]. In Nederland verspijkeren we er een kleine 100 miljard aan. Maar het gaat om meer dan zorg. Bedrijven die beweegtuinen maken voor ouderen. De bouw die trappen en badkamers aanpast. Musea met meer bezoekers. De grijze toekomst is goed omrand. En er zijn meer van dit soort rustige ontwikkelingen, waar je de lijn uit het verleden kunt doortrekken naar de toekomst.

 

Maar er zijn ook niet lineaire ontwikkelingen. Een boom is de hele winter kaal. Zelfs in maart zie je nog geen bladeren. En dan, ineens, ontploft de natuur. Lente! Binnen een maand is het frisgroen. Cellen vermenigvuldigen zich razendsnel tot het blad gevormd is. Dergelijke ontwikkelingen zie je niet alleen in de natuur, maar ook in de maatschappij. En als regio of bedrijf heb je er veel baat bij juist die  snelle ontwikkelingen op het spoor te zijn. Kan je ze van te voren herkennen? Er zijn geen zekere rotsvaste oorzaak-gevolg relaties, maar wel signalen. Ik noem er drie.

 

Chemie tussen ontwikkelingen
Soms zie je tussen twee ontwikkelingen ineens chemie ontstaan. De economische crisis en e-commerce stonden los van elkaar, maar samen hebben ze onze binnensteden supersnel verandert. Als je kijkt naar de relatie tussen de Randstad en Overijssel, zijn er twee belangrijke ontwikkelingen. Ten eerste: Overijsselse bedrijven krijgen steeds meer nationale en internationale netwerken. Ten tweede: nieuwe ICT  maakt afstand minder belangrijk. Gecombineerd, zou dit kunnen betekenen dat in Overijssel niet alleen Stedendriehoek en Zwolle, maar ook Twente in de nabije toekomst aanhaakt bij de Randstad. Het is een mogelijke droom (waar zelfs het CPB rekening mee houdt overigens, en dat zijn geen fantasten). De opgave is om twee ontwikkelingen te koppelen in uw denken.

 

Zichzelf versterkende ontwikkelingen
Soms zie je dat ontwikkelingen zichzelf versterken. Ook dat is een signaal voor snelle verandering. Denk aan een mediahype. De kranten bellen u omdat de andere kranten over u berichten. Het is als een besmetting: de hype wordt vanzelf groter. De maakindustrie kent vergelijkbare ontwikkelingen die zichzelf versnellen. Bedrijven zullen meegaan met de beweging van smart industry, al was het maar omdat anderen het doen. Nu al maken diensten meer dan de helft uit van de toegevoegde waarde in de maakindustrie: onderzoek, PR, vormgeving. Nieuwe ambachten ontstaan, waar maak- en creatieve sector samen komen. Hier is de boodschap dus: zie de ontwikkelingen die zichzelf versterken. Dan kan het snel gaan.

 

Verkruimeling
Soms zijn er lang versteende situaties, die ineens verkruimelen. Oude routines zijn diep ingesleten, bijvoorbeeld omdat er veel in geïnvesteerd is. Een voorbeeld is de energiesector. Productieprocessen zijn zo geoptimaliseerd rond fossiel, dat er alternatieve vormen van energie weinig ruimte krijgen. Toch zie je nu scheuren in dat beeld. Op vergelijkbare wijze accepteren wij nu al heel lang dat grote groepen van de bevolking niet meedoen. 10% van de beroepsbevolking in Overijssel zit in de bijstand, heeft een werkloosheid- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. De WRR en de planbureaus waarschuwen voor grotere verschillen. De robotisering kan een verdere aanslag zijn op de middenklasse. Het kan zomaar gebeuren dat we radicaal anders moeten gaan denken over arbeid, inkomen en vrije tijd. Je ziet al alternatieven ontstaan: coöperaties, ideeen over een basisinkomen. Hier is de boodschap: let op de stenen reuzen met zwakke sokkels. Ze kunnen zomaar omvallen.

 

Wanneer wij over de toekomst denken, gebeurt dat te veel vanuit het nu en teveel in rechte lijnen. Begrijpt u mij echter goed. Ik ben geen ´alles wordt anders´ guru. Ik geloof niet in de retorica van een verandering van tijdperken. Ik denk niet dat de Wet van Moore de hele wereld regeert. We moeten niet doen alsof alles open is, en snel verandert. Er is ook het niet lege nu. Er zijn langzame veranderingen, continuïteiten. Processen die meer op winter en zomer lijken. Waar het om gaat, is precies kijken: wat zijn domeinen waar continuïteit is, wat zijn de domeinen waar signalen van grote veranderingen zijn. Die verschillende situaties vragen verschillend beleid. Zomer en winterbeleid, wanneer continuïteit overheersend is. En herfst en lentebeleid – om goed te reageren en te anticiperen op snelle veranderingen.

Lente in Overijssel. Dat betekent ook: er is meer ruimte voor uw dromen dan u denkt. Tijd voor Lentebeleid.

 

Deze blog is langer dan de standaard blogs die we versturen. De tekst is een aangepaste versie van een korte lezing die Hans Peter Benschop onlangs heeft gehouden.

 

Voetnoten:

  1. Deze tekst is een iets aangepaste versie van een korte lezing bij de ‘Lente in Overijssel’-bijeenkomst van 23 mei jongstleden.
  2. M. van Asselt e.a.: Uit zicht, toekomstverkennen met beleid, WRR, Den Haag, 2010.
  3. http://trendbureauoverijssel.nl/verkenningen/lopende-verkenningen/zorg

 

Soms verbergen hele ambtelijke titels enerverend gedachtegoed. Denkwerk dat de aandacht van Overijssel vereist. De Raad voor de financiële verhoudingen heeft er zo één geschreven. Hij heet ‘Wel Zwitsers, geen geld? Naar een nieuwe balans tussen taken, sturing en inkomsten van gemeenten’ [1]. De raad gaat met de notitie de boer op. U kunt meepraten. Ik zou het doen. In november komt het definitieve advies.

 

Jarenlang was uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied niet bespreekbaar in Den Haag. Internationale vergelijkingen toonden keer op keer aan dat de Nederlandse gemeenten over extreem weinig financiële autonomie beschikten. De gemeente was, wat geld betreft, een uitvoeringskantoor van het rijk.

 

Die situatie is aan veranderen. Den Haag heeft grote delen van het ruimtelijk, economisch en sociaal beleid gedecentraliseerd. Met de eigen beleidsvrijheid die daar bij hoort (waar leden van de Tweede Kamer, maar ook alle lobbyclubs die tot op heden op Den Haag gericht waren, vreselijk aan moeten wennen: ´Ze doen verschillende dingen, die gemeenten!´). Zo ongeveer alle adviesorganen die je kunt bedenken – van CPB en SCP tot aan de Raad van Europa – zijn van mening dat een groter eigen belastinggebied noodzakelijk is. En ook minister Plasterk is om.

 

Toch is de recente notitie van de Raad niet overbodig. Integendeel: het is een gedegen stuk voor een volwassen gesprek over een belangrijk onderwerp. De raad onderscheidt twee ´knoppen´: 1) hoe afhankelijk maken we gemeenten van het rijk? en 2) hoeveel verschillen in inkomsten mogen er tussen gemeenten zijn? Vervolgens past ze deze knoppen toe op een aantal thema´s en dilemma´s. Daarbij loopt de raad niet weg voor moeilijke vragen. Bij welke typen taken zijn er verschillen tussen gemeenten wenselijk? Willen we in het sociale domein evenveel verschillen als in het ruimtelijk beleid? De raad denkt van niet. En hoe gaan we om met regionale samenwerking? Stimuleren we die centraal via financiële koorden, of niet?

 

Overigens: de Raad kondigt ook een notitie over provinciale inkomsten aan. Ook de heren en dames op het provinciehuis kunnen hun borst nat maken.

 

Voetnoten:

  1. http://www.rob-rfv.nl/documenten/wel_zwitsers_geen_geld_-_herbezinning_financiele_verhoudingen.pdf

Vorig jaar kwam een groep rijksambtenaren op bezoek in de provincie. Zij vertelden waar het de komende jaren in Den Haag om zou gaan. De boodschap was éénduidig: economie, economie, economie.

 

Hoe erg kan je je vergissen. Natuurlijk…we houden ons bezig met ons dagelijks brood. Maar het grote maatschappelijke debat – dat gaat over andere dingen. Het is Zwarte Piet die mensen ziedend tegenover elkaar doet staan, niet de concurrentiepositie van Nederland. Het is het vluchtelingenvraagstuk dat de politieke discussie in Nederland bepaalt- en polariseert rond de vraag wie wij als Nederlanders zijn en waar wij voor staan. Cultuur, niet economie, is de open zenuw van deze tijd.

 

Kort geleden verscheen een ´Overijssels Feit´ over cultuur [1]. Wij blijken bovengemiddeld tevreden met onze culturele identiteit. We zijn erg in volkscultuur geïnteresseerd en wat meer is: die belangstelling wordt steeds groter. In voorgaande jaren bezochten 1 op de 5 Overijsselaars evenement rond de volkscultuur, in 2015 waren dat er 1 op de 3. Ook hier, zo kan je concluderen, lijkt er een trend te zijn om identiteit belangrijk te vinden.

 

Toen de economie in het centrum van de belangstelling stond, mengde het bedrijfsleven zich voluit in het maatschappelijk debat. Het vertelde hoe we onze concurrentiepositie moesten verstevigen, het innovatiebeleid konden vormgeven, etc. Nu onze culturele identiteit in het middelpunt staat, mengen kunstenaars zich nauwelijks in de politieke discussie. Terwijl dat in andere landen, zoals Duitsland en Frankrijk, wel gebeurt. In Nederland kennen we die traditie niet. Twee voorstellingen over de Europese identiteit die nu door Nederland toeren, Pax Europa en In search of Europe zijn, veelzeggend, door respectievelijk een geboren Irakees en een Belg gemaakt. In dat licht is het mooi dat de Fundatie en tentoonstelling heeft gemaakt ´Dutch Identity´.

 

Wie zijn wij? Welke waarden vertegenwoordigen we? Het zijn belangrijke vragen. Het zou mooi zijn als ook kunstenaars ons uitdagen er over na te denken. En andersom zou de politiek haar oor te luister kunnen leggen bij de kunsten.

 

Voetnoten:

  1.  http://www.overijssel.nl/over-overijssel/cijfers-kaarten/virtuele-map/overijssels-feit-0/nieuwsbrief-ov-feit/overijssels-feit-0/2016-04-overijssel/

Soms kom je zomaar, via-via, op een site terecht waar je vrolijk van wordt. http://www.jouwzorgismijeenzorg.nl is daar een voorbeeld van [1]. Hoe komen buren meer in contact met elkaar? Willemieke van den Brink en Anne Marth Kuilder onderzochten het in Wipstrik, Zwolle. De uitkomsten: ‘Groen, gewoon doen!’, een ‘Welkom in de Straat’-doos en een ‘Kleinste vorm van zorg’-invulboekje. En oh ja, fietsbanden plakken op straat helpt ook om buren zomaar tegen te komen.

 

Design-thinking rukt op. En social design vaart in het kielzog mee. Precieze definities kunnen mensen niet geven, maar het komt ongeveer neer op: een creatieve manier van denken als antwoord op maatschappelijke vraagstukken. Verbeeldingskracht is belangrijker dan de ratio. De focus is op oplossingen in plaats van probleemanalyses. En last but not least: er is vrolijkheid in plaats van ernst. Je krijgt weer zin in de maatschappij!

 

De onderzoeksters achter ‘Jouw zorg is mij een zorg’ zijn de wijk ingegaan met vraagstuk nummer één in het sociale domein van vandaag de dag: de veranderingen in de zorg vragen iets van ons allemaal, hoe gaan we dat met elkaar doen? Mensen moeten bij een lichte zorgvraag een beroep doen op hun netwerk. Maar kinderen wonen vaak veraf…kan de buurt iets doen?

 

De bewoners van Wipstrik vertelden: vroeger had je meer vanzelf contact. Vrouwen lapten de ramen. Kinderen speelden op straat. En er waren minder televisies: mensen keken bij elkaar. De deel-economie avant la lettre. Willemieke van den Brink en Anne Marth Kuilder bedachten hedendaagse alibi voor sociaal contact.

 

 

De website toont een manier van denken die in veel wijken en gemeenten tot andere oplossingen zouden kunnen leiden. De schrijfsters laten het project ook bewust onaf. Er moet ook in de toekomst iets te verbeelden blijven.

 

Voetnoten:

  1. http://www.jouwzorgismijeenzorg.nl

Ontluisterend, ontroerend, beangstigend… het is zoeken naar het juiste woord nadat je ‘2 werelden, 2 werkelijkheden, hoe ga je daar als docent mee om?’ gelezen hebt [1]. Margalith Kleijwegt schreef het rapport in opdracht van minister Bussemaker. Het gaat over de belevingswerelden van middelbaar scholieren, onder andere op het ROC Twente.

 

De titel zegt geen woord te veel: onze jongeren blijken in heel verschillende werelden te leven. De één denkt dat ‘9-11’ een complot van zionisten is om de moslims zwart te maken. De ander weet met grote stelligheid te melden dat de foto van het aangespoelde dode jongetje in scene is gezet. Weer een ander ziet in vluchtelingen voornamelijk een bedreiging.
De tegenstelling in de klas worden groter en verharden. Docenten begeleiden moeilijk gesprekken, reageren op extreme standpunten, signaleren radicalisering.

 

Kleijwegt heeft nog een andere boodschap: het gebrek aan toekomst. Kinderen vragen zich af of er nog vaste banen voor ze zijn. Of er überhaupt wel werk is als zij van school komen. Of er woningen zijn. Welke plaats zij hebben in onze maatschappij. De toekomst is er niet één van kansen, maar van angst.

 

Hetis goed dat dit rapport geschreven is. Het zou nog veel beter zijn als we als samenleving hoop konden bieden. De politiek staat zeer ver af van de jongeren. Zij verwachten er weinig van…of eigenlijk niets. We kunnen de verwachtingen alleen maar overtreffen.

 

Voetnoten:

  1.   https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/02/01/twee-werelden-twee-werkelijkheden-een-verslag-over-gevoelige-maatschappelijke-kwesties-in-de-school

Toenemende complexiteit, dat is volgens velen het centrale kenmerk van de huidige Westerse maatschappij. De oorzaak is de techniek. De mogelijkheden van ICT verdubbelen elke twee jaar. Er komen steeds meer verbindingen tussen mensen (en dingen). De realiteit krijgt daardoor nieuwe kenmerken. Onvoorspelbaarheid bijvoorbeeld. Nieuwe fenomenen ontstaan uit oude structuren. Er dat kan heel snel gaan: exponentiële groei. Complexe systemen kun je niet vanuit één actor hiërarchisch richting geven. De maatschappij is als een zwerm spreeuwen. De patronen ontstaan door de interactie tussen de vogels onderling en hun omgeving. De overheid geeft geen richting meer.

 

Ik heb zelf dit beeld ook gebruikt tijdens lezingen, maar begin er toch aan te twijfelen. Ten eerste denk ik dat het maar een deel van de realiteit goed duidt. Het lijdt weinig twijfel dat de wereld complex is – maar is hij werkelijk zoveel complexer dan zeg 50 of 100 jaar geleden? Ja, de digitalisering zorgt voor meer verbindingen. Maar ook toen waren steden en dorpen al complexe systemen. Met ICT heb je meer verbindingen, maar is dat meer dan een gradueel verschil?

 

 

En…het is ongetwijfeld zo dat de digitalisering in heel veel aspecten van de wereld doordringt, maar in hoeveel domeinen is hij doorslaggevend? Internetdating maakt de gevreesde effecten van een veelheid aan losbandige individuen niet waar – de meeste mensen neigen hardnekkig naar het traditionele stel. De ontwikkeling van robots gaat verrassend veel langzamer dan de snelheid waarmee chips verbeteren. Kennelijk luistert de mechanica naar andere wetten dan de electronica. En in het recente boek ´The Rise and Fall of American Growth´ betoogt Robert Gordon dat de ontdekkingen aan het begin van de twintigste eeuw (licht, airco, auto, wasmachine) veel meer impact hebben gehad op ons dagelijks leven en economische groei dan de ICT-revolutie.

 

 

Ten tweede ben ik bang dat de diagnose van complexiteit tot passiviteit leidt: ‘kunnen we die machtig ingewikkelde wereld nog wel beïnvloeden…en hoe dan?’ Ik zie echter individuen als Poetin, Merkel of Wilders – hoe verschillend ook – juist veel richting geven aan de maatschappij. Bureaucratieën boeten wellicht aan kracht in, maar de politiek niet. Miskent de nadruk op complexiteit niet de noodzaak om zelf tot handelen over te gaan?