Dutch Design Week is in eerste instantie de overtreffende trap van veel. Honderd locaties, 2500 ontwerpers, ‘het grootste designevenement van Noord-Europa’: het is geen klein bier. Als bezoeker moet je dus kiezen.

 

Ikzelf vind de afstudeerprojecten van de Design Academy het leukst. Bij de ‘gearriveerden’ op Strijp S overheersen de grote maatschappelijke problemen en de soms wat net te gladde ontwerpen. Bij de studenten is het allemaal nog ruw. Ze verwonderen zich over de gekste dingen. Olivia Watson maakt met ‘Out of the bruise’ een ode aan de schaafwonden en blauwe plekken: ze zijn het teken dat we leven. Dagmar Erla en Jonas Dotter maakten een ‘Museum of Lost Museums’ – het Ecodrome in Zwolle is er in opgenomen. Jonas Ersland registreerde het ruimtegebruik van pizzakoeriers: die blijken vaste plekken in steden te hebben om bij elkaar te komen. Bouke Bruins maakte de 10 regels van de Boyscout Designer, die in publieke rommelruimte lieve en grappige objecten neerzet [1]

 

Bij de studenten heb je het gevoel dichtbij de vreemde wereld te staan die toekomst heet, maar ook elders is er veel te genieten in Eindhoven. Social design is hip, maar meer dan een voorbijgaande trend: het is echt een andere manier van denken. Je ziet tal van slimme, vrolijke en vooral concrete ideeen om iets te doen aan het klimaatvraagstuk, problemen van vluchtelingen, onwennigheid met dementie, etc . etc. Meer in het algemeen past design thinking in een tijd waarin veel vraagstukken ongelooflijk complex zijn. Dan geldt: laten we gewoon eens iets proberen – en kijken of het werkt. Het programma Initiate van de VNG koppelt beleidsvraagstukken aan social designers. Dat lijkt me een prima initiatief [2].

 

Voetnoten

  1. Zie verder https://www.designacademy.nl/EVENTS/Graduation17/GraduationProjects.aspx
  2. https://www.initiate.nl/

De manier waarop wij samenleven: dat is het grootste probleem in Nederland – volgens Nederlanders. De SCP-hitlijst van ons ongemak is al jarenlang vrij voorspelbaar [1]. De manier waarop wij met elkaar omgaan is de Bohemian Rhapsody van onze zorgen. Slechts soms wordt deze hegemonie verstoord. In 2013, in het midden van de crisis, stond de economie op nummer 1. En vanaf de tweede helft van 2015 piekt de vrees voor immigratie. Die laatste zorg is nog niet voorbij, maar mindert nu het aantal vluchtelingen daalt.

 

Waar denken mensen aan, als zij de manier van samenleving als probleem noemen? [2] Dat gaat om groeiende intolerantie, verruwing van omgangsvorming en een cultuur van ´ikke, ikke, ikke’. Mensen komen vooral voor zichzelf op en zijn minder bereid iets voor anderen te doen, zo is het gevoel. We ervaren ook groeiende tegenstellingen: arm-rijk, hoog- en laagopgeleid, autochtoon-migrant. En we zijn bang voor het verdwijnen van de Nederlandse cultuur: er is bijvoorbeeld vrees voor de vrijheid van meningsuiting en de gelijke behandeling van man en vrouw. ´Nederland is Nederland niet meer´.

 

Het curieuze is dat het overheidsbeleid nauwelijks reageert op dit grootste probleem van Nederland. De ´dikke-ik mentaliteit´ wordt soms benoemd en veroordeeld, maar blijft steken in een wat bloedeloze oproep tot ander gedrag [3]. De overheid constateert polarisatie zonder er over na te denken hoe hij kan worden voorkomen en hoe we ermee om kunnen gaan. Radicalisering staat weliswaar op de agenda, maar dat beleid richt zich op een kleine groep fanatiekelingen – niet de verruwing van omgangsvormen en een algemeen onvermogen om met tegenstellingen om te gaan. De pogingen om te bepalen wat Nederland tot Nederland maakt blijven steken in een oproep om het volkslied uit ons hoofd te leren, de verdediging van een problematisch symbool als Zwarte Piet, en veel ruis over buitenlanders. Dat zijn nauwelijks serieuze antwoorden op vragen als ‘Wie zijn we?’, ‘Wat is normaal’ en ‘Hoe gaan we met elkaar om en met mensen die we niet normaal vinden?’.

 

Nederland kent geen beleidstraditie over die vragen. We moesten ze maar eens agenderen.

 

Voetnoten:

  1. SCP, Burgerperspectieven 2017-1, blz. 14.
  2. SCP. Burgerperspectieven 2016-4, blz. 18 e.v.
  3. https://www.youtube.com/watch?v=cCg3q4qOkvk

Heeft Nederland een elite? Het antwoord op die vraag is niet makkelijk te geven, omdat de term ‘elite’ niet éénduidig gedefinieerd is. Maar we weten wel dat mensen die zichzelf tot de onderlaag rekenen last hebben van de ‘mensen die het voor het zeggen hebben’. Sterker nog, de tegenstelling tussen de beslissers en de rest ervaren zij als de tegenstelling die de meeste wrijving oplevert. Hij schuurt meer dan de tegenstelling tussen autochtonen en migranten of tussen religies [1]. De elite bestaat misschien niet, maar is zeker wel een probleem.

 

De overheid stimuleert actief burgerschap. Zij wil graag dat burgers verantwoordelijkheid nemen voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken in de eigen omgeving door zelf initiatieven te organiseren.  Hierbij is voor burgers een verbindende taak weggelegd: zij worden geacht bruggen te slaan tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid. De vraag is natuurlijk of dit zo werkt. Het is goed mogelijk dat actief burgerschap vooral door bepaalde groepen mensen wordt opgepakt: hogeropgeleiden of mensen met grote sociale netwerken. In dat geval zou het beroep op actief burgerschap de tegenstellingen tussen de elite en de rest eerder verscherpen dan verzachten.

 

 

Het doembeeld ontstaat van een participatiesamenleving waarin de ´elite´ goed voor zichzelf kan zorgen en ook zorgt, en ´de rest´ die minder door de overheid in bescherming wordt genomen en het nakijken heeft. Realiseert dit doembeeld zich? Mirjan Oude Vrielink heeft er onderzoek naar gedaan en een essay (PDF) over geschreven [2]. Haar antwoord is niet éénduidig. Ja, er zijn burgeriniatieven die verbindend werken en die alle mensen in een gemeenschap bereiken. En nee, dat is niet altijd zo. Het is een kunst de stem van de zwijgende meerderheid te horen.

 

Op 18 mei vindt om 19 uur uur in Dalfsen het confetticongres plaats over ´Hoort u de stem van de zwijgende meerderheid?´ met Pieter-Jan Klok (Universiteit Twente) en Ferenc van Damme (Provincie Overijssel).
Op 7 juni vindt om 19 uur in Borne het confetticongres plaats over ´Hoe betrekt u mensen die u niet kent?´ met Mirjan Oude Vrielink (Universiteit Twente) en Lidy Noorman.

 

Voetnoten:

  1. SCP, Verschil in Nederland, Den Haag 2014, blz. 285.
  2. Verwijzing essay Mirjan Oude Vrielink: Is de doe-democratie een diplomademocratie? Een verkenning van sociale ongelijkheid.’

 

´De Triomf van het Dorp´: onder die provocerende kop schreef Sjors de Vries vorig jaar een artikel in Trouw [1]. Natuurlijk zijn er allerlei problemen in het landelijk gebied. Maar zijn die er ook niet in de stad? De Vries wijst erop, dat door de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen er juist in veel dorpen een pionierscultuur ontstaat. Men moet wel. Zorgcoöperaties, energietransitie, smart industries: het gebeurt op het platteland.

 

Een prachtvoorbeeld van die pionierscultuur is Erik Wong. Sloop dreigde voor het lokale café. Hij nam het over en begon ´Wongema´:  een hippe dorpskroeg annex creatieve broedplaats [2]. In Hornhuizen: verder noordelijk op het krimpende platteland van Groningen kan je nauwelijks zijn.
Of het nu door de veelheid aan nieuwe initiatieven komt, door het woest stevige fundament van de oude cultuur in het landelijk gebied (zoals getoond in de documentaire ´Brommers Kiek´ n´) of door een andere oorzaak: het landelijk gebied leeft. Ook de cijfers geven dat aan [3].

 

Voetnoten:

  1. Overigens samen met Daphne Koenders: https://ruimtevolk.nl/2016/05/11/de-triomf-van-het-dorp/
  2. http://www.wongema.nl/
  3. Zie mijn artikel in Trouw: https://www.trouw.nl/opinie/triomf-van-de-stad-is-een-mythe~a2f4243f/

Taxichauffeurs kennen het fenomeen: licht tegengas helpt.
Laat passagiers praten, en ze lopen leeg: boosheid op de overheid, opmerkingen over elke allochtoon die net wat te langzaam over het zebrapad loopt en klachten over de zorg, de belastingen, kortom het leven. De meerderheid van Nederlanders zeurt als ze ons onze gang laten gaan.

 

Geen enkele chauffeur roeit recht tegen zo´n spraakwaterval in. Tenminste…niet als hij zijn klandizie wil behouden. Maar licht tegengas kan wel. Geeft hij aan dat je de zaak ook net iets anders kan bekijken, dan verandert de sfeer van het gesprek direct. Nederland blijkt toch zo´n gek land nog niet. Nee…ik heb niets tegen buitenlanders in het algemeen. Die mensen in Den Haag doen ook hun best.

 

En vervolgens komen de concrete klachten. Die soms terecht zijn, en soms niet – maar waar het venijn van de grote generalisaties uit verdwenen is. Mensen zien weer mensen in plaats van groepen.

 

Het klinkt ongetwijfeld naïef, maar toch stemt dit fenomeen van het tegengas mij optimistisch. Gesprekken helpen, dialoog werkt. Tegelijk toont het verschijnsel aan hoezeer het politieke klimaat afhankelijk is van plekken waar je met elkaar kunt praten, zonder de zware versterkers van media. Alleen licht tegengas helpt.

 

Taxi´s zijn zulke plekken. Kunnen we er meer van maken? Sjors de Vries en Anne Seghers van RUIMTEVOLK hebben er een essay over geschreven.

 

 

Bij al het retorisch geweld rond grotere tegenstellingen in Nederland blijft inkomensongelijkheid wat onbelicht. En dat is voor een deel terecht. Nederland is een egalitair landje, als het om netto-inkomens gaat (in Overijssel is de inkomensongelijkheid bovendien lager dan het nationaal gemiddelde [1]). De belasting nivelleert. De verschillen worden wel iets groter, maar die ontwikkeling is beperkt. Toch is er wel een addertje onder het gras. Het gif zit niet in de grotere inkomensverschillen, maar in de grotere inkomensonzekerheid.

 

Cok Vrooman, werkzaam bij het SCP en de universiteit van Utrecht, maakte in zijn oratie een rekensom waaruit bleek dat de inkomensonzekerheid in de periode 1980-2015 voor de beroepsbevolking, de groep mensen tussen 18 en 64 jaar na 1980 daalde met 34% [2]. Dat komt door een combinatie van factoren. De versobering van het sociale vangnet is een belangrijke oorzaak, waardoor uitkeringen in duur en omvang verminderden en minder mensen er recht op hadden. En ten tweede was er veel meer sprake van flexibele arbeid: in die periode kregen steeds minder mensen vaste contracten.

 

Inkomensonzekerheid knaagt. Henk de Vos, emeritus hoogleraar sociologie aan de universiteit van Groningen, heeft er een essay over geschreven. Het welzijn daalt bij minder bestaanszekerheid. De gezondheidsproblemen nemen toe. De maatschappelijke loopbaan van de kinderen lijdt er onder. Daarnaast zijn er de gevolgen voor de maatschappij als geheel. Landen die investeren in de bestaanszekerheid doen het economisch beter. En er is relatie tussen bestaansonzekerheid en maatschappelijk ongenoegen.

 

In deze situatie krijgen gemeenten, volgens de Vos, met de decentralisaties in het sociale domein een lastige taak. Van hen wordt maatwerk verwacht, maar tegelijk de zorg dat mensen niet onder een grondwettelijk minimum zakken. Hij vindt het niet vreemd dat juist op lokaal niveau het idee van het basisinkomen zo populair is.

 

Voetnoten:

  1.  https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2016/26/welvaart-in-nederland-2016
  2.  https://www.uu.nl/sites/default/files/fsw-vrooman-oratie.pdf

 

Nederland staat bekend als consensusmaatschappij. Vraag elke expat waarover hij zich verbaasd heeft in ons landje, en gegarandeerd staan onze vergaderingen in de top-3. De baas vertelt niet hoe het moet, nee…hij luistert naar hoe wij denken dat het moet – en begeleidt het eindeloze proces naar een gezamenlijke conclusie.

 

In het politieke debat lijken we de laatste jaren van model veranderd. Consensus is verruild voor conflict. Zwarte Pieten, AZC’s, Marokkanen: in de discussies zoeken we naar de extremen, niet naar het midden.

 

Hoe gaan we daarmee om? Susanne Geuze heeft er een essay over geschreven. Ten eerste relativeert zij de diagnose. Weliswaar worden partijen aan de uiteinden van het spectrum groter, maar tegelijkertijd is er in Nederland nog steeds een grote zwijgende meerderheid. Het is een groep die smacht naar minder schrille geluiden. Mensen met extreme meningen spreken het luidst en krijgen de meeste aandacht. Wellicht, zo is haar gedachte, is het goed om als bestuurder daar niet je aandacht op te richten, maar veeleer op de poging het zwijgende midden in de discussie te brengen.

 

Haar tweede betooglijn is uitdagender. Het is niet erg dat mensen van mening verschillen – het is erg dat we er niet mee om kunnen gaan. De kunst is om te constateren dat we het niet eens gaan worden – en toch een besluit te nemen. Dat kan alleen langdurig goed gaan als we ook de mensen in hun waarde laten die nu geen gelijk krijgen. Door goed te luisteren. Door het eens te worden over de rituelen van de besluitvorming. En door niet altijd je hele gelijk te halen.  Het SCP constateerde het al eerder: Nederlanders zijn geneigd gezamenlijke waarden belangrijk te vinden – terwijl gezamenlijke omgangsvormen wellicht belangrijker zijn voor de democratie [1].

 

 

Voetnoot:

  1. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/Gedeelde_waarden_en_een_weerbare_democratie

Grotere tegenstellingen: terecht denken we dan aan politieke polarisatie, zwarte piet en grotere inkomensverschillen. Maar ook de verschillen tussen regio´s in Nederland verdiepen zich. De economische ontwikkeling aan de randen van Nederland kent minder dynamiek dan die in de Randstad [1]. Het rijksbeleid versterkt die verschillen door programma´s als Agenda Stad en het economisch beleid dat gericht is op versterking van datgene wat sterk is. De vraag is: kunnen lokale en regionale overheden daar wat aan doen? Maarten Allers heeft er een essay over geschreven. Het antwoord stemt tot deemoed. De regio poetst regionale verschillen niet weg – of in ieder geval moeilijk. Het essay roept ook de vraag op of het rijksbeleid niet aan vernadering toe is.

 

Allers hanteert drie selectiecriteria voor beleid. De eerste zeef is de vraag waar overheden een taak hebben. De tweede is waar decentrale overheden zinvol bezig zouden kunnen zijn. Een derde selectie vindt plaats op basis van bewezen effectiviteit van beleid. Er blijven weinig korrels op het gaas liggen.

 

Als het om structureel groeibeleid gaat, bijvoorbeeld, is  cluster- en agglomeratiebeleid populair. Allers constateert hierover droogjes:  ´de bestaande inzichten uit de wetenschappelijke literatuur staan in opvallend scherp contrast met het enthousiasme dat in beleidskringen valt waar te nemen.´ Overheden blijken bijvoorbeeld slecht is staat winnende clusters te identificeren.
Allers ziet meer in onderwijs, zomerscholen voor achterstandskinderen en verkleining van de klassen. Ook het verstrekken van risicokapitaal kan zinvol zijn, in samenwerking met de rijksoverheid en gericht op maatschappelijke doelen. De regionale economie kan zijn weerbaarheid bovendien versterken door omscholing en bijscholing makkelijker te maken.

 

Vrolijk wordt er je niet van de lectuur van dit essay maar wel scherp. En tegelijk opstandig. Want het is toch ook wel echt tijd voor anders rijksbeleid. Een inzet die niet topsectoren centraal stelt, maar maatschappelijke doelstellingen. En een beleid dat niet gericht is op versterking van een onrechtvaardige en ondoelmatige verdeling van economische dynamiek over het land.

 

Voetnoten:

  1.  Zie http://www.pbl.nl/publicaties/balans-van-de-leefomgeving-2016

Hoe gaan we in 2050 met elkaar om? Het is een spannende vraag en Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) probeert hem te beantwoorden in ´De Toekomst Tegemoet´, het Sociaal Cultureel Rapport 2016 [1]. Vraag aan Nederlanders waar ze zich zorgen over maken, en de manier van waarop we samenleven staat onveranderlijk in de top [2].

 

Met het rapport slaat het SCP een nieuwe weg in: die van de toekomstverkenningen. De collega planbureaus PBL en CPB kennen een lange geschiedenis op dat pad. Maar we hebben lang geen onderzoek gehad naar de samenleving van 2050 – het werkterrein van het SCP.

 

De SCP pakt het voorzichtig aan. Men kijkt wat huidige ontwikkelingen op het gebied van demografie, economie, techniek en ecologie voor consequenties zal hebben in de toekomst. Dat is een keuze. In de praktijk zal blijken dat er allerlei onverwachte ontwikkelingen een grotere impact zullen hebben. Om die reden kiezen veel toekomstverkenners voor een benadering waar ook wildere ideeën geëxploreerd worden. Toch is de keuze van het SCP mijns inziens een gelukkige. Want ook deze voorzichtige benadering levert al vuurwerk aan maatschappelijke uitdagingen op – meer hadden we waarschijnlijk niet aangekund.

 

Ik pak er één uit [3]. Nederland anno nu polariseert. Of het nu over Zwarte Pieten, hoofddoekjes of vluchtelingen gaat: conflicterende opinies zijn bijna onverdraaglijk. Welnu, het SCP denkt dat die tegenstellingen alleen maar feller zullen worden. Daar zijn verschillende redenen voor. De eerste is ruimtelijke segregatie. Groepen komen elkaar simpelweg minder tegen. Internet versterkt dit effect. Het levert  zijn eigen ´bubbels´ op. Ten tweede, zo is de verwachting, hebben mensen steeds minder de vaardigheid om met meningsverschillen om te gaan. We blijven naar elkaar schreeuwen, overtuigd van het eigen gelijk en verbijsterd over de onwil van de ander om het in te zien. En ten derde, sociale identiteiten zullen niet minder belangrijk worden, zeker niet waar ongelijkheid in het spel is. De ongelijkheid wordt groter door de toenemende complexiteit: er zullen groepen zijn die daar niet mee om kunnen gaan.

 

Zullen de toenemende spanningen in de toekomst escaleren? Het SCP durft de vraag niet positief of negatief te beantwoorden, en alleen dat al is onheilspellend. Het wordt werken, hard werken om escalatie te voorkomen. Het zou goed zijn als wij – niet alleen ´Den Haag´ – ons de volle omvang van deze opgave realiseren, en niet selectief shoppen om vooringenomen eigen conclusies bevestigd te zien. Lezen, dat rapport.

 

Voetnoten:

  1. http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/De_toekomst_tegemoet
  2. http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/Burgerperspectieven_2016_4
  3. Op. cit., blz. 143 e.v.

Het is spannend in het goederenvervoer. De wereld van voor de crisis lijkt voorgoed verleden tijd. Traditioneel betekende 2% economische groei een toename van de wereldhandel met 4% en een toename van de containeroverslag met 6-8%. Dat is niet meer zo. De groei van de wereldhandel stokt, en de Nederlandse Bank verwacht dat dat voorlopig zo zal blijven.

 

De oorzaken gaan dieper dan de crisis of zelfs Trump. Ook zonder de aversie tegen vrijhandelsakkoorden zou de groei, aldus de DNB, verminderen. De bank somt een aantal structurele oorzaken op. De economische activiteit in de wereld verschuift naar de opkomende economieën. Die zijn minder handelsintensief. Ten tweede knippen bedrijven hun productieprocessen minder op. Lange productieketens kennen toch teveel risico´s en communicatieproblemen. Ten derde was China de afgelopen decennia de grote oorzaak van een stijgend aanbod aan producten. Dat land richt zich nu meer op eigen consumenten [1].

 

 

Wat betekent dit nu voor het goederenvervoer in Nederland en Overijssel? Bart Kuipers heeft er een essay over geschreven [2]. Behalve de al genoemde trend in de wereldhandel, zijn er ook andere ontwikkelingen van belang. De opkomst van Oost-Europa is er één van. Een tweede is reshoring en nearshoring, waarbij productieprocessen gedeeltelijk dichter (en anders) bij Nederland georganiseerd worden. Ook trends als de biobased economy en de circulaire economie veranderen de vraag naar transport.

 

 

Mechanisch prognoses die vroegere lijnen over globalisering optimistisch doortrekken naar de toekomst, kunnen de prullenbak in. Kuipers´ boodschap is dat we preciezer om ons heen moeten kijken wat er gebeurt. En bovendien dat Overijssel beter gebruik kan maken van de sterke exportpositie van de high tech en maakindustrie. Hij bepleit een verdere integratie van maakindustrie en de goederensector. De toekomst van de goederensector is aan ons, en niet aan dromen over een verleden dat niet terugkeert.

 

Voetnoten:

  1. https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2016/dnb350988.jsp
  2. http://trendbureauoverijssel.nl/verkenningen/lopende-verkenningen/verkeer-en-vervoer