Toekomstverkennen kan ontzettend leuk zijn. En dat was het vorige week, toen twee verkenningen samenkwamen.

 

Atelier Overijssel en het Trendbureau werken aan Landschap 2050. Dat is een verkenning die bestaat uit vier omgevingsscenario’s. We beschrijven en tekenen vier mogelijke toekomsten die op ons afkomen – zonder dat wij daar iets aan kunnen doen. Bijvoorbeeld doordat de technologie zich sterk ontwikkeld. Of omdat waardepatronen in Nederland veranderen. Of omdat het (inter) nationaal beleid verandert. Het zijn externe factoren die voor Overijsselaars nauwelijks of niet stuurbaar zijn. Zij vormen de context waarbinnen wij moeten handelen – maar die toch grote impact kunnen hebben op ons landschap.

 

De provincie werkt aan een Strategieontwikkeling verduurzaming Landelijk Gebied. Ook dat is een verkenning van de toekomst, maar dan van de mogelijke doelen die je kunt stellen – en het beleid dat daarbij hoort. Het gaat dan niet om wat er op ons afkomt, maar wat we kunnen willen en doen. Daarbij komen dilemma’s op. Denk bijvoorbeeld aan: willen we aansluiten bij natuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen of gaan we sturend te werk?

 

Vorige week hebben we deze twee aanpakken – die allebei nog in ontwikkeling zijn – voor het eerst geconfronteerd. Landschap 2050werd gebruikt als windtunnel voor de Strategieontwikkeling Landelijk Gebied. Zoals autofabrikanten nieuwe modellen in een windtunnel plaatsen: om te kijken hoe het nieuwe concept zich gedraagt onder extreme omstandigheden. De kunstmatige setting kan leiden tot aanpassingen aan het prototype, zodat het optimaal functioneert onder echte omstandigheden. Op vergelijkbare manier kun je in omgevingsscenario’s mogelijk beleid testen en aangeven waar de kracht zit, maar waar ook nog punten zijn die nadere doordenking vragen.

 

En…het werkte! Wat vooral leuk is om te merken: eerste reacties  kloppen niet. Een sterk sturende provincie kan wel degelijk goed samengaan met een wereld die bruist van de initiatieven onderop – het vergt alleen wel een bepaalde manier van sturing. En diezelfde sturende provincie krijgt het bij een ander Europees beleid lastig, maar kan met enige creativiteit wel degelijk andere nieuwe beleidsinstrumenten dan regelgeving verzinnen om haar doelen alsnog te realiseren.

 

Het is een beetje de slager die zijn eigen vlees aanprijst – ik weet het. Maar toch: ik hoop dat de provincie, gemeenten en andere organisaties in hun omgevingsbeleid Landschap 2050veel zullen gebruiken de komende jaren, als ‘testomgeving’ van beleid. Het is funen ik denk echt dat het tot toekomstvaster beleid leidt.

Toekomstverkenningen zeggen vaak meer over het heden dan over de toekomst. Ze extrapoleren huidige besognes. Een mooi voorbeeld daarvan was recent in de NRC te lezen. In het artikel rapporteerden de schrijvers over de toekomst van het wonen. Circulair, nul op de meter, high tech? Niks hoor. Er was sprake van een ‘manifest voor gezellig wonen’. Volgens de schrijvers is het de sociale samenhang die belangrijk wordt als het gaat om wonen. Uiteindelijk bestaat het menselijk geluk, zo werd ons medegedeeld, toch uit deelname aan een hechte gemeenschap.

 

Ook Rijksbouwmeester, Floris Alkemade, voorzag gezellig wonen. We bouwen teveel gezinswoningen. Terwijl de vraag naar woningen waar jongeren kunnen samenwonen, multigeneratiewoningen en woningen waar alleenstaanden zorg kunnen krijgen, stijgt. Nieuwe technologieën dreigen de vereenzaming, zo denkt hij, te verergeren: mensen gaan niet meer naar buiten en ontmoeten elkaar niet meer.

 

Het is opvallend hoezeer de zorgen van de schrijvers overeenkomen met die van de Nederlanders. Het SCP vraagt al sinds 2008 elk kwartaal  aan de bevolking wat zij het grootste maatschappelijke probleem vindt. En nee… het is veelal niet de veiligheid, economie of zorg.  Energie en duurzaamheid staan al helemaal niet in de top 5! Het is onze manier van samenleven die het meeste zorgen baart: ‘ikke, ikke, ikke’, het gevoel dat de sociale samenhang aan het verbrokkelen is, dat tegenstellingen groter worden en steeds moeilijker worden overbrugd.

 

Het gezellige landschap, dat is dus de opgave. Ik denk dat we dat op twee manieren kunnen uitwerken. De eerste is conservatief. Het is het landschap uit het verleden, waarin we ons thuis voelen. Schattige boerderijen, molens, een textielfabriek: dat werk. Een andere mogelijkheid is meer verkennend. Hoe maken we een landschap van de toekomst waarin we ons thuis voelen? Een landschap waarvan wij het gevoel hebben dat het van ons is, waar wij iets over te zeggen hebben gehad? Het landschap van de toekomst gaat niet over wieken of stallen. Het is vooral een sociale opgave.

Is een landschap maakbaar? Daarop lijkt maar één antwoord mogelijk: ja. Nederland bewijst het. Elke vierkante meter van ons landschap is bedacht. Elke schop aarde is gemeten, gepland, bediscussieerd, beregeld, onderzocht en uiteindelijk dat geworden wat we dachten dat het moest worden. Niet voor niets is de Nederlandse landschapsarchitectuur wereldberoemd.

 

Is een landschap maakbaar? Daarop lijkt maar één antwoord mogelijk: nee. Nederland bewijst het. Iedereen ziet dat ons landschap verrommelt. Wat daarbij vooral opvalt: de machteloosheid. Niemand lijkt er wat aan te kunnen doen. De natuur levert in, cultuurhistorische elementen verdwijnen. Wat overblijft is een productielandschap dat gedachteloos vol pijn naar zijn eind strompelt.

 

Het landschap is ook niet zomaar te maken. Daar is het te ingewikkeld voor. Talloze processen mengen zich. Natuur, economie, waarden, gebruiken, geschiedenis, energie, water… ze buitelen over elkaar heen. Uit die complexe chemie ontstaat iets onvoorspelbaars. De Franse auteur Giono schreef het mooi:

 

‘On ne peut pas connaître un pays par le simple science geographique (…) On ne peut, je crois, rien connaître par la simple science. C’est un instrument trop exact et trop dur. Le monde a mille tendresses dans lesquelles il faut se plier pour les comprendre avant de savoir ce que représente leur somme.’ (Giono, L’eau vive)

 

Moeten we dan deemoedig afwachten wat het wordt – ons Overijssels landschap? Nee. De WRR zei het zo’n 10 jaar geleden kort: de toekomst is open, maar niet leeg. Hij is niet leeg. We hebben te maken met een realiteit vol eigenaardigheden en gegevens: de mensen en de manier waarop zij nu leven en werken, machines, gebouwen, bossen, water, beesten. Maar de toekomst is tegelijk ook open. Er is onzekerheid. We weten niet precies de uitkomst van het samenspel van al die factoren. Het is goed die in kaart te brengen. Dat is wat we doen, in de verkenning Landschap 2050. Waarom? Omdat uiteindelijk één van die onzekerheden de mens is. Wij kunnen handelen. Wij hebben onze idealen. Wij kunnen een toekomst die wij niet wensen, proberen te vermijden. Een toekomstverkenning is een eerste stap om het landschap weer maakbaar te maken.

Dutch Design Week is in eerste instantie de overtreffende trap van veel. Honderd locaties, 2500 ontwerpers, ‘het grootste designevenement van Noord-Europa’: het is geen klein bier. Als bezoeker moet je dus kiezen.

 

Ikzelf vind de afstudeerprojecten van de Design Academy het leukst. Bij de ‘gearriveerden’ op Strijp S overheersen de grote maatschappelijke problemen en de soms wat net te gladde ontwerpen. Bij de studenten is het allemaal nog ruw. Ze verwonderen zich over de gekste dingen. Olivia Watson maakt met ‘Out of the bruise’ een ode aan de schaafwonden en blauwe plekken: ze zijn het teken dat we leven. Dagmar Erla en Jonas Dotter maakten een ‘Museum of Lost Museums’ – het Ecodrome in Zwolle is er in opgenomen. Jonas Ersland registreerde het ruimtegebruik van pizzakoeriers: die blijken vaste plekken in steden te hebben om bij elkaar te komen. Bouke Bruins maakte de 10 regels van de Boyscout Designer, die in publieke rommelruimte lieve en grappige objecten neerzet [1]

 

Bij de studenten heb je het gevoel dichtbij de vreemde wereld te staan die toekomst heet, maar ook elders is er veel te genieten in Eindhoven. Social design is hip, maar meer dan een voorbijgaande trend: het is echt een andere manier van denken. Je ziet tal van slimme, vrolijke en vooral concrete ideeen om iets te doen aan het klimaatvraagstuk, problemen van vluchtelingen, onwennigheid met dementie, etc . etc. Meer in het algemeen past design thinking in een tijd waarin veel vraagstukken ongelooflijk complex zijn. Dan geldt: laten we gewoon eens iets proberen – en kijken of het werkt. Het programma Initiate van de VNG koppelt beleidsvraagstukken aan social designers. Dat lijkt me een prima initiatief [2].

 

Voetnoten

  1. Zie verder https://www.designacademy.nl/EVENTS/Graduation17/GraduationProjects.aspx
  2. https://www.initiate.nl/

De manier waarop wij samenleven: dat is het grootste probleem in Nederland – volgens Nederlanders. De SCP-hitlijst van ons ongemak is al jarenlang vrij voorspelbaar [1]. De manier waarop wij met elkaar omgaan is de Bohemian Rhapsody van onze zorgen. Slechts soms wordt deze hegemonie verstoord. In 2013, in het midden van de crisis, stond de economie op nummer 1. En vanaf de tweede helft van 2015 piekt de vrees voor immigratie. Die laatste zorg is nog niet voorbij, maar mindert nu het aantal vluchtelingen daalt.

 

Waar denken mensen aan, als zij de manier van samenleving als probleem noemen? [2] Dat gaat om groeiende intolerantie, verruwing van omgangsvorming en een cultuur van ´ikke, ikke, ikke’. Mensen komen vooral voor zichzelf op en zijn minder bereid iets voor anderen te doen, zo is het gevoel. We ervaren ook groeiende tegenstellingen: arm-rijk, hoog- en laagopgeleid, autochtoon-migrant. En we zijn bang voor het verdwijnen van de Nederlandse cultuur: er is bijvoorbeeld vrees voor de vrijheid van meningsuiting en de gelijke behandeling van man en vrouw. ´Nederland is Nederland niet meer´.

 

Het curieuze is dat het overheidsbeleid nauwelijks reageert op dit grootste probleem van Nederland. De ´dikke-ik mentaliteit´ wordt soms benoemd en veroordeeld, maar blijft steken in een wat bloedeloze oproep tot ander gedrag [3]. De overheid constateert polarisatie zonder er over na te denken hoe hij kan worden voorkomen en hoe we ermee om kunnen gaan. Radicalisering staat weliswaar op de agenda, maar dat beleid richt zich op een kleine groep fanatiekelingen – niet de verruwing van omgangsvormen en een algemeen onvermogen om met tegenstellingen om te gaan. De pogingen om te bepalen wat Nederland tot Nederland maakt blijven steken in een oproep om het volkslied uit ons hoofd te leren, de verdediging van een problematisch symbool als Zwarte Piet, en veel ruis over buitenlanders. Dat zijn nauwelijks serieuze antwoorden op vragen als ‘Wie zijn we?’, ‘Wat is normaal’ en ‘Hoe gaan we met elkaar om en met mensen die we niet normaal vinden?’.

 

Nederland kent geen beleidstraditie over die vragen. We moesten ze maar eens agenderen.

 

Voetnoten:

  1. SCP, Burgerperspectieven 2017-1, blz. 14.
  2. SCP. Burgerperspectieven 2016-4, blz. 18 e.v.
  3. https://www.youtube.com/watch?v=cCg3q4qOkvk

Heeft Nederland een elite? Het antwoord op die vraag is niet makkelijk te geven, omdat de term ‘elite’ niet éénduidig gedefinieerd is. Maar we weten wel dat mensen die zichzelf tot de onderlaag rekenen last hebben van de ‘mensen die het voor het zeggen hebben’. Sterker nog, de tegenstelling tussen de beslissers en de rest ervaren zij als de tegenstelling die de meeste wrijving oplevert. Hij schuurt meer dan de tegenstelling tussen autochtonen en migranten of tussen religies [1]. De elite bestaat misschien niet, maar is zeker wel een probleem.

 

De overheid stimuleert actief burgerschap. Zij wil graag dat burgers verantwoordelijkheid nemen voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken in de eigen omgeving door zelf initiatieven te organiseren.  Hierbij is voor burgers een verbindende taak weggelegd: zij worden geacht bruggen te slaan tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid. De vraag is natuurlijk of dit zo werkt. Het is goed mogelijk dat actief burgerschap vooral door bepaalde groepen mensen wordt opgepakt: hogeropgeleiden of mensen met grote sociale netwerken. In dat geval zou het beroep op actief burgerschap de tegenstellingen tussen de elite en de rest eerder verscherpen dan verzachten.

 

 

Het doembeeld ontstaat van een participatiesamenleving waarin de ´elite´ goed voor zichzelf kan zorgen en ook zorgt, en ´de rest´ die minder door de overheid in bescherming wordt genomen en het nakijken heeft. Realiseert dit doembeeld zich? Mirjan Oude Vrielink heeft er onderzoek naar gedaan en een essay (PDF) over geschreven [2]. Haar antwoord is niet éénduidig. Ja, er zijn burgeriniatieven die verbindend werken en die alle mensen in een gemeenschap bereiken. En nee, dat is niet altijd zo. Het is een kunst de stem van de zwijgende meerderheid te horen.

 

Op 18 mei vindt om 19 uur uur in Dalfsen het confetticongres plaats over ´Hoort u de stem van de zwijgende meerderheid?´ met Pieter-Jan Klok (Universiteit Twente) en Ferenc van Damme (Provincie Overijssel).
Op 7 juni vindt om 19 uur in Borne het confetticongres plaats over ´Hoe betrekt u mensen die u niet kent?´ met Mirjan Oude Vrielink (Universiteit Twente) en Lidy Noorman.

 

Voetnoten:

  1. SCP, Verschil in Nederland, Den Haag 2014, blz. 285.
  2. Verwijzing essay Mirjan Oude Vrielink: Is de doe-democratie een diplomademocratie? Een verkenning van sociale ongelijkheid.’

 

´De Triomf van het Dorp´: onder die provocerende kop schreef Sjors de Vries vorig jaar een artikel in Trouw [1]. Natuurlijk zijn er allerlei problemen in het landelijk gebied. Maar zijn die er ook niet in de stad? De Vries wijst erop, dat door de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen er juist in veel dorpen een pionierscultuur ontstaat. Men moet wel. Zorgcoöperaties, energietransitie, smart industries: het gebeurt op het platteland.

 

Een prachtvoorbeeld van die pionierscultuur is Erik Wong. Sloop dreigde voor het lokale café. Hij nam het over en begon ´Wongema´:  een hippe dorpskroeg annex creatieve broedplaats [2]. In Hornhuizen: verder noordelijk op het krimpende platteland van Groningen kan je nauwelijks zijn.
Of het nu door de veelheid aan nieuwe initiatieven komt, door het woest stevige fundament van de oude cultuur in het landelijk gebied (zoals getoond in de documentaire ´Brommers Kiek´ n´) of door een andere oorzaak: het landelijk gebied leeft. Ook de cijfers geven dat aan [3].

 

Voetnoten:

  1. Overigens samen met Daphne Koenders: https://ruimtevolk.nl/2016/05/11/de-triomf-van-het-dorp/
  2. http://www.wongema.nl/
  3. Zie mijn artikel in Trouw: https://www.trouw.nl/opinie/triomf-van-de-stad-is-een-mythe~a2f4243f/

Taxichauffeurs kennen het fenomeen: licht tegengas helpt.
Laat passagiers praten, en ze lopen leeg: boosheid op de overheid, opmerkingen over elke allochtoon die net wat te langzaam over het zebrapad loopt en klachten over de zorg, de belastingen, kortom het leven. De meerderheid van Nederlanders zeurt als ze ons onze gang laten gaan.

 

Geen enkele chauffeur roeit recht tegen zo´n spraakwaterval in. Tenminste…niet als hij zijn klandizie wil behouden. Maar licht tegengas kan wel. Geeft hij aan dat je de zaak ook net iets anders kan bekijken, dan verandert de sfeer van het gesprek direct. Nederland blijkt toch zo´n gek land nog niet. Nee…ik heb niets tegen buitenlanders in het algemeen. Die mensen in Den Haag doen ook hun best.

 

En vervolgens komen de concrete klachten. Die soms terecht zijn, en soms niet – maar waar het venijn van de grote generalisaties uit verdwenen is. Mensen zien weer mensen in plaats van groepen.

 

Het klinkt ongetwijfeld naïef, maar toch stemt dit fenomeen van het tegengas mij optimistisch. Gesprekken helpen, dialoog werkt. Tegelijk toont het verschijnsel aan hoezeer het politieke klimaat afhankelijk is van plekken waar je met elkaar kunt praten, zonder de zware versterkers van media. Alleen licht tegengas helpt.

 

Taxi´s zijn zulke plekken. Kunnen we er meer van maken? Sjors de Vries en Anne Seghers van RUIMTEVOLK hebben er een essay over geschreven.

 

 

Bij al het retorisch geweld rond grotere tegenstellingen in Nederland blijft inkomensongelijkheid wat onbelicht. En dat is voor een deel terecht. Nederland is een egalitair landje, als het om netto-inkomens gaat (in Overijssel is de inkomensongelijkheid bovendien lager dan het nationaal gemiddelde [1]). De belasting nivelleert. De verschillen worden wel iets groter, maar die ontwikkeling is beperkt. Toch is er wel een addertje onder het gras. Het gif zit niet in de grotere inkomensverschillen, maar in de grotere inkomensonzekerheid.

 

Cok Vrooman, werkzaam bij het SCP en de universiteit van Utrecht, maakte in zijn oratie een rekensom waaruit bleek dat de inkomensonzekerheid in de periode 1980-2015 voor de beroepsbevolking, de groep mensen tussen 18 en 64 jaar na 1980 daalde met 34% [2]. Dat komt door een combinatie van factoren. De versobering van het sociale vangnet is een belangrijke oorzaak, waardoor uitkeringen in duur en omvang verminderden en minder mensen er recht op hadden. En ten tweede was er veel meer sprake van flexibele arbeid: in die periode kregen steeds minder mensen vaste contracten.

 

Inkomensonzekerheid knaagt. Henk de Vos, emeritus hoogleraar sociologie aan de universiteit van Groningen, heeft er een essay over geschreven. Het welzijn daalt bij minder bestaanszekerheid. De gezondheidsproblemen nemen toe. De maatschappelijke loopbaan van de kinderen lijdt er onder. Daarnaast zijn er de gevolgen voor de maatschappij als geheel. Landen die investeren in de bestaanszekerheid doen het economisch beter. En er is relatie tussen bestaansonzekerheid en maatschappelijk ongenoegen.

 

In deze situatie krijgen gemeenten, volgens de Vos, met de decentralisaties in het sociale domein een lastige taak. Van hen wordt maatwerk verwacht, maar tegelijk de zorg dat mensen niet onder een grondwettelijk minimum zakken. Hij vindt het niet vreemd dat juist op lokaal niveau het idee van het basisinkomen zo populair is.

 

Voetnoten:

  1.  https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2016/26/welvaart-in-nederland-2016
  2.  https://www.uu.nl/sites/default/files/fsw-vrooman-oratie.pdf

 

Nederland staat bekend als consensusmaatschappij. Vraag elke expat waarover hij zich verbaasd heeft in ons landje, en gegarandeerd staan onze vergaderingen in de top-3. De baas vertelt niet hoe het moet, nee…hij luistert naar hoe wij denken dat het moet – en begeleidt het eindeloze proces naar een gezamenlijke conclusie.

 

In het politieke debat lijken we de laatste jaren van model veranderd. Consensus is verruild voor conflict. Zwarte Pieten, AZC’s, Marokkanen: in de discussies zoeken we naar de extremen, niet naar het midden.

 

Hoe gaan we daarmee om? Susanne Geuze heeft er een essay over geschreven. Ten eerste relativeert zij de diagnose. Weliswaar worden partijen aan de uiteinden van het spectrum groter, maar tegelijkertijd is er in Nederland nog steeds een grote zwijgende meerderheid. Het is een groep die smacht naar minder schrille geluiden. Mensen met extreme meningen spreken het luidst en krijgen de meeste aandacht. Wellicht, zo is haar gedachte, is het goed om als bestuurder daar niet je aandacht op te richten, maar veeleer op de poging het zwijgende midden in de discussie te brengen.

 

Haar tweede betooglijn is uitdagender. Het is niet erg dat mensen van mening verschillen – het is erg dat we er niet mee om kunnen gaan. De kunst is om te constateren dat we het niet eens gaan worden – en toch een besluit te nemen. Dat kan alleen langdurig goed gaan als we ook de mensen in hun waarde laten die nu geen gelijk krijgen. Door goed te luisteren. Door het eens te worden over de rituelen van de besluitvorming. En door niet altijd je hele gelijk te halen.  Het SCP constateerde het al eerder: Nederlanders zijn geneigd gezamenlijke waarden belangrijk te vinden – terwijl gezamenlijke omgangsvormen wellicht belangrijker zijn voor de democratie [1].

 

 

Voetnoot:

  1. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/Gedeelde_waarden_en_een_weerbare_democratie