Vorig jaar kwam een groep rijksambtenaren op bezoek in de provincie. Zij vertelden waar het de komende jaren in Den Haag om zou gaan. De boodschap was éénduidig: economie, economie, economie.

 

Hoe erg kan je je vergissen. Natuurlijk…we houden ons bezig met ons dagelijks brood. Maar het grote maatschappelijke debat – dat gaat over andere dingen. Het is Zwarte Piet die mensen ziedend tegenover elkaar doet staan, niet de concurrentiepositie van Nederland. Het is het vluchtelingenvraagstuk dat de politieke discussie in Nederland bepaalt- en polariseert rond de vraag wie wij als Nederlanders zijn en waar wij voor staan. Cultuur, niet economie, is de open zenuw van deze tijd.

 

Kort geleden verscheen een ´Overijssels Feit´ over cultuur [1]. Wij blijken bovengemiddeld tevreden met onze culturele identiteit. We zijn erg in volkscultuur geïnteresseerd en wat meer is: die belangstelling wordt steeds groter. In voorgaande jaren bezochten 1 op de 5 Overijsselaars evenement rond de volkscultuur, in 2015 waren dat er 1 op de 3. Ook hier, zo kan je concluderen, lijkt er een trend te zijn om identiteit belangrijk te vinden.

 

Toen de economie in het centrum van de belangstelling stond, mengde het bedrijfsleven zich voluit in het maatschappelijk debat. Het vertelde hoe we onze concurrentiepositie moesten verstevigen, het innovatiebeleid konden vormgeven, etc. Nu onze culturele identiteit in het middelpunt staat, mengen kunstenaars zich nauwelijks in de politieke discussie. Terwijl dat in andere landen, zoals Duitsland en Frankrijk, wel gebeurt. In Nederland kennen we die traditie niet. Twee voorstellingen over de Europese identiteit die nu door Nederland toeren, Pax Europa en In search of Europe zijn, veelzeggend, door respectievelijk een geboren Irakees en een Belg gemaakt. In dat licht is het mooi dat de Fundatie en tentoonstelling heeft gemaakt ´Dutch Identity´.

 

Wie zijn wij? Welke waarden vertegenwoordigen we? Het zijn belangrijke vragen. Het zou mooi zijn als ook kunstenaars ons uitdagen er over na te denken. En andersom zou de politiek haar oor te luister kunnen leggen bij de kunsten.

 

Voetnoten:

  1.  http://www.overijssel.nl/over-overijssel/cijfers-kaarten/virtuele-map/overijssels-feit-0/nieuwsbrief-ov-feit/overijssels-feit-0/2016-04-overijssel/

Maken robots ons werkloos? Of zullen zij ons leven juist verrijken? Hoe kunnen wij, in Overijssel, op de robotisering reageren? Vorige week publiceerde het Rathenau-instituut ´Werken aan de Robotsamenleving´[1]. Het is een belangrijk rapport. Het gaat voorbij de angst- en droombeelden. Maar het constateert wel dat er werk aan de winkel is. Ook voor overheden. Ook op lokaal en regionaal niveau.

 

Alle grote technologische ontwikkelingen hebben tot een verandering van arbeid geleid. De stoommachine en elektriciteit namen veel handarbeid over. Informatietechnologie veranderde de kantoren. Zo zal ook robotica ons werk veranderen.
Die veranderingen traden op in een context waarin ook de overheid actief was. Denk aan de infrastructuur. De Twentse textielindustrie kwam voort uit de stoommachine, maar de wegen, rails en kanalen waren daar even hard voor nodig. Denk aan het sociale beleid: de overheid reageerde op misstanden in de industrie met wetgeving over arbeidstijden en kinderarbeid. Denk aan het onderwijs: de nieuwe technologieën en de nieuwe organisatie van arbeid hadden geschoolde   arbeiders en management nodig. De industriële revolutie vereiste, kortom, een industriële samenleving .  Die kwam niet zonder slag of stoot tot stand – getuige de opkomst van de arbeidersbeweging.
Op vergelijkbare wijze vereist robotica een ´robotsamenleving´. Overijssel zal actief aan de slag moeten met ´Smart Industries´, als we goed willen inspelen op de herwaardering van de maakindustrie. Onderwijs zal ongelooflijk belangrijk worden. We zien nu een polarisatie op de arbeidsmarkt: de middelbaar opgeleiden worden extra getroffen door de huidige automatisering. Mensen zullen vaker bijscholing tijdens en naast hun werk nodig hebben. En net als toen, zal ook een goede infrastructuur belangrijk zijn.
Het Rathenau-instituut presenteert ons een reëel beeld van een toekomstige opgave: Overijssel als robotsamenleving. Ja…dat kan een nachtmerrie worden. Maar er zijn ook andere opties. Het is een mogelijkheid om een  vitale en bevlogen provincie te maken.
Voetnoten:

  1. http://www.rathenau.nl/actueel/alle-categorieen/2015/06/werken-aan-de-robotsamenleving.html

Toekomstverkennen kan ontzettend leuk zijn. En dat was het vorige week, toen twee verkenningen samenkwamen.

 

Atelier Overijssel en het Trendbureau werken aan Landschap 2050. Dat is een verkenning die bestaat uit vier omgevingsscenario’s. We beschrijven en tekenen vier mogelijke toekomsten die op ons afkomen – zonder dat wij daar iets aan kunnen doen. Bijvoorbeeld doordat de technologie zich sterk ontwikkeld. Of omdat waardepatronen in Nederland veranderen. Of omdat het (inter) nationaal beleid verandert. Het zijn externe factoren die voor Overijsselaars nauwelijks of niet stuurbaar zijn. Zij vormen de context waarbinnen wij moeten handelen – maar die toch grote impact kunnen hebben op ons landschap.

 

De provincie werkt aan een Strategieontwikkeling verduurzaming Landelijk Gebied. Ook dat is een verkenning van de toekomst, maar dan van de mogelijke doelen die je kunt stellen – en het beleid dat daarbij hoort. Het gaat dan niet om wat er op ons afkomt, maar wat we kunnen willen en doen. Daarbij komen dilemma’s op. Denk bijvoorbeeld aan: willen we aansluiten bij natuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen of gaan we sturend te werk?

 

Vorige week hebben we deze twee aanpakken – die allebei nog in ontwikkeling zijn – voor het eerst geconfronteerd. Landschap 2050werd gebruikt als windtunnel voor de Strategieontwikkeling Landelijk Gebied. Zoals autofabrikanten nieuwe modellen in een windtunnel plaatsen: om te kijken hoe het nieuwe concept zich gedraagt onder extreme omstandigheden. De kunstmatige setting kan leiden tot aanpassingen aan het prototype, zodat het optimaal functioneert onder echte omstandigheden. Op vergelijkbare manier kun je in omgevingsscenario’s mogelijk beleid testen en aangeven waar de kracht zit, maar waar ook nog punten zijn die nadere doordenking vragen.

 

En…het werkte! Wat vooral leuk is om te merken: eerste reacties  kloppen niet. Een sterk sturende provincie kan wel degelijk goed samengaan met een wereld die bruist van de initiatieven onderop – het vergt alleen wel een bepaalde manier van sturing. En diezelfde sturende provincie krijgt het bij een ander Europees beleid lastig, maar kan met enige creativiteit wel degelijk andere nieuwe beleidsinstrumenten dan regelgeving verzinnen om haar doelen alsnog te realiseren.

 

Het is een beetje de slager die zijn eigen vlees aanprijst – ik weet het. Maar toch: ik hoop dat de provincie, gemeenten en andere organisaties in hun omgevingsbeleid Landschap 2050veel zullen gebruiken de komende jaren, als ‘testomgeving’ van beleid. Het is funen ik denk echt dat het tot toekomstvaster beleid leidt.

Soms kom je zomaar, via-via, op een site terecht waar je vrolijk van wordt. http://www.jouwzorgismijeenzorg.nl is daar een voorbeeld van [1]. Hoe komen buren meer in contact met elkaar? Willemieke van den Brink en Anne Marth Kuilder onderzochten het in Wipstrik, Zwolle. De uitkomsten: ‘Groen, gewoon doen!’, een ‘Welkom in de Straat’-doos en een ‘Kleinste vorm van zorg’-invulboekje. En oh ja, fietsbanden plakken op straat helpt ook om buren zomaar tegen te komen.

 

Design-thinking rukt op. En social design vaart in het kielzog mee. Precieze definities kunnen mensen niet geven, maar het komt ongeveer neer op: een creatieve manier van denken als antwoord op maatschappelijke vraagstukken. Verbeeldingskracht is belangrijker dan de ratio. De focus is op oplossingen in plaats van probleemanalyses. En last but not least: er is vrolijkheid in plaats van ernst. Je krijgt weer zin in de maatschappij!

 

De onderzoeksters achter ‘Jouw zorg is mij een zorg’ zijn de wijk ingegaan met vraagstuk nummer één in het sociale domein van vandaag de dag: de veranderingen in de zorg vragen iets van ons allemaal, hoe gaan we dat met elkaar doen? Mensen moeten bij een lichte zorgvraag een beroep doen op hun netwerk. Maar kinderen wonen vaak veraf…kan de buurt iets doen?

 

De bewoners van Wipstrik vertelden: vroeger had je meer vanzelf contact. Vrouwen lapten de ramen. Kinderen speelden op straat. En er waren minder televisies: mensen keken bij elkaar. De deel-economie avant la lettre. Willemieke van den Brink en Anne Marth Kuilder bedachten hedendaagse alibi voor sociaal contact.

 

 

De website toont een manier van denken die in veel wijken en gemeenten tot andere oplossingen zouden kunnen leiden. De schrijfsters laten het project ook bewust onaf. Er moet ook in de toekomst iets te verbeelden blijven.

 

Voetnoten:

  1. http://www.jouwzorgismijeenzorg.nl

Tijd is de onderscheidende factor, zei Annemieke Nijhof, nu CEO van Tauw. Zij sprak tijdens het Omgevingsfestival dat de provincie afgelopen vrijdag in Deventer organiseerde. Tijd…een opmerkelijk onderwerp tijdens een congres dat toch eigenlijk over Ruimte gaat. Slimme mensen hebben we genoeg op deze wereld, aldus Nijhof. En alle kennis is voor iedereen voorhanden. De cruciale, onderscheidende factor, is of we genoeg tijd vrij maken om te denken over al die kennis. Alleen op die manier doen we de intelligente, eigen dingen met onze omgeving.

 

Overijssel heeft het onmisbare: Tijd!
Tijd is ook onderwerp in de 25 Bijzondere Gesprekken die het Trendbureau nu voert over de concept-verkenning ´Waar verdient Overijssel zijn Geld mee in 2030?´[1]. Of we nu in Hellendoorn of Zwartewaterland zijn: overal geven ondernemers aan bezorgd te zijn over de versnelling van de maatschappij, en het vermogen van de mens, het bedrijf en de maatschappij om daar mee om te gaan. Het is zo´n gespreksonderwerp dat je niet verwacht. Minder regels, meer infra ….dat zijn de bekende wensen. Maar anders omgaan met tijd? Bijzonder.

 

In de reeks ´Filosofen Agenderen de Stad´ betoogt Désanne van Brederode deze week dat de stad een veelheid aan ervaringen en inspiratie biedt – maar dat het ons aan de tijd lijkt te ontbreken om die ervaringen ook te verwerken. Inspiratie, prima…maar waarvoor, waartoe [2]?

 

Past relativering? Misschien. Het SCP meet immers dat we de afgelopen jaren voor het eerst méér tijd hebben. We zijn minder tijd aan verplichtingen kwijt [3]. Maar aan de andere kant: cijfers kunnen niet op tegen beleving. Het gaat niet om de getelde minuten, maar om het gevoel machtig druk te zijn in die periode.

 

Wellicht moeten we als Overijssel de beleving serieus nemen. Is de IJssel zelf niet symbool voor de tijd, steeds stromend maar toch dezelfde? Hier, over de IJssel gebeurt van alles, maar er is ook nog ruimte, en er is ook nog tijd. En als we die niet hebben moeten we die maken. Om de goede dingen te doen in de toekomst.

 

Voetnoten:

  1. http://trendbureauoverijssel.nl/verkenningen/lopende-verkenningen/waar-verdient-overijssel-zijn-geld-mee-in-2030/25-bijzondere-gesprekken
  2. http://www.platform31.nl/nieuws/filosofen-agenderen-de-stad-inspiratie-maar-waartoe
  3. http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2013/Met_het_oog_op_de_tijd

Ontluisterend, ontroerend, beangstigend… het is zoeken naar het juiste woord nadat je ‘2 werelden, 2 werkelijkheden, hoe ga je daar als docent mee om?’ gelezen hebt [1]. Margalith Kleijwegt schreef het rapport in opdracht van minister Bussemaker. Het gaat over de belevingswerelden van middelbaar scholieren, onder andere op het ROC Twente.

 

De titel zegt geen woord te veel: onze jongeren blijken in heel verschillende werelden te leven. De één denkt dat ‘9-11’ een complot van zionisten is om de moslims zwart te maken. De ander weet met grote stelligheid te melden dat de foto van het aangespoelde dode jongetje in scene is gezet. Weer een ander ziet in vluchtelingen voornamelijk een bedreiging.
De tegenstelling in de klas worden groter en verharden. Docenten begeleiden moeilijk gesprekken, reageren op extreme standpunten, signaleren radicalisering.

 

Kleijwegt heeft nog een andere boodschap: het gebrek aan toekomst. Kinderen vragen zich af of er nog vaste banen voor ze zijn. Of er überhaupt wel werk is als zij van school komen. Of er woningen zijn. Welke plaats zij hebben in onze maatschappij. De toekomst is er niet één van kansen, maar van angst.

 

Hetis goed dat dit rapport geschreven is. Het zou nog veel beter zijn als we als samenleving hoop konden bieden. De politiek staat zeer ver af van de jongeren. Zij verwachten er weinig van…of eigenlijk niets. We kunnen de verwachtingen alleen maar overtreffen.

 

Voetnoten:

  1.   https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/02/01/twee-werelden-twee-werkelijkheden-een-verslag-over-gevoelige-maatschappelijke-kwesties-in-de-school

Toekomstverkenningen zeggen vaak meer over het heden dan over de toekomst. Ze extrapoleren huidige besognes. Een mooi voorbeeld daarvan was recent in de NRC te lezen. In het artikel rapporteerden de schrijvers over de toekomst van het wonen. Circulair, nul op de meter, high tech? Niks hoor. Er was sprake van een ‘manifest voor gezellig wonen’. Volgens de schrijvers is het de sociale samenhang die belangrijk wordt als het gaat om wonen. Uiteindelijk bestaat het menselijk geluk, zo werd ons medegedeeld, toch uit deelname aan een hechte gemeenschap.

 

Ook Rijksbouwmeester, Floris Alkemade, voorzag gezellig wonen. We bouwen teveel gezinswoningen. Terwijl de vraag naar woningen waar jongeren kunnen samenwonen, multigeneratiewoningen en woningen waar alleenstaanden zorg kunnen krijgen, stijgt. Nieuwe technologieën dreigen de vereenzaming, zo denkt hij, te verergeren: mensen gaan niet meer naar buiten en ontmoeten elkaar niet meer.

 

Het is opvallend hoezeer de zorgen van de schrijvers overeenkomen met die van de Nederlanders. Het SCP vraagt al sinds 2008 elk kwartaal  aan de bevolking wat zij het grootste maatschappelijke probleem vindt. En nee… het is veelal niet de veiligheid, economie of zorg.  Energie en duurzaamheid staan al helemaal niet in de top 5! Het is onze manier van samenleven die het meeste zorgen baart: ‘ikke, ikke, ikke’, het gevoel dat de sociale samenhang aan het verbrokkelen is, dat tegenstellingen groter worden en steeds moeilijker worden overbrugd.

 

Het gezellige landschap, dat is dus de opgave. Ik denk dat we dat op twee manieren kunnen uitwerken. De eerste is conservatief. Het is het landschap uit het verleden, waarin we ons thuis voelen. Schattige boerderijen, molens, een textielfabriek: dat werk. Een andere mogelijkheid is meer verkennend. Hoe maken we een landschap van de toekomst waarin we ons thuis voelen? Een landschap waarvan wij het gevoel hebben dat het van ons is, waar wij iets over te zeggen hebben gehad? Het landschap van de toekomst gaat niet over wieken of stallen. Het is vooral een sociale opgave.

Op 1 juni presenteerde Brainport Regio Eindhoven zijn nieuwe strategie. De regio constateert dat de ontwikkeling vandaag de dag zo snel gaan en vaak zo onverwacht zijn, dan het traditionele ´triple-helix-model´ van overheid, markt en onderzoek niet meer werkt. Ik citeer: ´We gaan daarom van triple helix naar multi-helix. Niet langer alleen een driehoek tussen overheid-bedrijfsleven-onderwijs vormen.

 

Burgers, klanten, consumenten, investeerders, designers, kunstenaars en corporaties erbij betrekken. Zoeken naar verbindingen tussen technologie, design en sociale innovatie. Maar ook bruggen slaan naar andere delen van de wereld, naar internationale kennisregio’s die de positie van Brainport kunnen versterken.´ [1].

 

De strategie bevat een paar belangrijke elementen. Ten eerste maakt de regio zich niet meer afhankelijk van de grote organisaties van weleer: de overheid, het bedrijfsleven, het onderwijs. Eindhoven speelt in op de netwerksamenleving. Burgers, consumenten, kunstenaars – kortom: mensen – zijn drijvende krachten. Ten tweede denkt de regio niet meer Nederlands, maar is de wereld het toneel. Netwerken kennen geen grenzen, zeker niet wanneer het om innovatie gaat. Tegelijk zijn de netwerken wel regionaal geworteld. De strategie wordt met alle omliggende gemeenten besproken – om te kijken welke lokale implicaties zij heeft [2]. Ten derde: de strategie gaat over de grenzen van sectoren heen. De Willy Wortels van de maakindustrie slaan bruggen met de creatieve sector en de maatschappij. Iets wat overigens ook in de Toekomstverkenning Cultuur van het Trendbureau Overijssel bepleit wordt [3].

 

Overijssel moet deze strategie natuurlijk niet zomaar copieren. En op onderdelen doen we ook al de dingen die de regio Eindhoven nu benoemd. Maar Brabant heeft een goede analyse gemaakt van de huidige en toekomstige situatie (er zijn ook scenariostudies gemaakt). Het loont zeker de moeite om te bekijken welke elementen voor onze regio van belang zouden kunnen zijn.

 

Voetnoten:

  1. http://www.brainport.nl/strategie/brainport-next-generation
  2. http://metropoolregioeindhoven.nl/nieuws/regionieuws/werksessie-brainport-next-generation
  3. http://trendbureauoverijssel.nl/site/download/tDQfeA0y2cdO?type=open

Toenemende complexiteit, dat is volgens velen het centrale kenmerk van de huidige Westerse maatschappij. De oorzaak is de techniek. De mogelijkheden van ICT verdubbelen elke twee jaar. Er komen steeds meer verbindingen tussen mensen (en dingen). De realiteit krijgt daardoor nieuwe kenmerken. Onvoorspelbaarheid bijvoorbeeld. Nieuwe fenomenen ontstaan uit oude structuren. Er dat kan heel snel gaan: exponentiële groei. Complexe systemen kun je niet vanuit één actor hiërarchisch richting geven. De maatschappij is als een zwerm spreeuwen. De patronen ontstaan door de interactie tussen de vogels onderling en hun omgeving. De overheid geeft geen richting meer.

 

Ik heb zelf dit beeld ook gebruikt tijdens lezingen, maar begin er toch aan te twijfelen. Ten eerste denk ik dat het maar een deel van de realiteit goed duidt. Het lijdt weinig twijfel dat de wereld complex is – maar is hij werkelijk zoveel complexer dan zeg 50 of 100 jaar geleden? Ja, de digitalisering zorgt voor meer verbindingen. Maar ook toen waren steden en dorpen al complexe systemen. Met ICT heb je meer verbindingen, maar is dat meer dan een gradueel verschil?

 

 

En…het is ongetwijfeld zo dat de digitalisering in heel veel aspecten van de wereld doordringt, maar in hoeveel domeinen is hij doorslaggevend? Internetdating maakt de gevreesde effecten van een veelheid aan losbandige individuen niet waar – de meeste mensen neigen hardnekkig naar het traditionele stel. De ontwikkeling van robots gaat verrassend veel langzamer dan de snelheid waarmee chips verbeteren. Kennelijk luistert de mechanica naar andere wetten dan de electronica. En in het recente boek ´The Rise and Fall of American Growth´ betoogt Robert Gordon dat de ontdekkingen aan het begin van de twintigste eeuw (licht, airco, auto, wasmachine) veel meer impact hebben gehad op ons dagelijks leven en economische groei dan de ICT-revolutie.

 

 

Ten tweede ben ik bang dat de diagnose van complexiteit tot passiviteit leidt: ‘kunnen we die machtig ingewikkelde wereld nog wel beïnvloeden…en hoe dan?’ Ik zie echter individuen als Poetin, Merkel of Wilders – hoe verschillend ook – juist veel richting geven aan de maatschappij. Bureaucratieën boeten wellicht aan kracht in, maar de politiek niet. Miskent de nadruk op complexiteit niet de noodzaak om zelf tot handelen over te gaan?

 

Is een landschap maakbaar? Daarop lijkt maar één antwoord mogelijk: ja. Nederland bewijst het. Elke vierkante meter van ons landschap is bedacht. Elke schop aarde is gemeten, gepland, bediscussieerd, beregeld, onderzocht en uiteindelijk dat geworden wat we dachten dat het moest worden. Niet voor niets is de Nederlandse landschapsarchitectuur wereldberoemd.

 

Is een landschap maakbaar? Daarop lijkt maar één antwoord mogelijk: nee. Nederland bewijst het. Iedereen ziet dat ons landschap verrommelt. Wat daarbij vooral opvalt: de machteloosheid. Niemand lijkt er wat aan te kunnen doen. De natuur levert in, cultuurhistorische elementen verdwijnen. Wat overblijft is een productielandschap dat gedachteloos vol pijn naar zijn eind strompelt.

 

Het landschap is ook niet zomaar te maken. Daar is het te ingewikkeld voor. Talloze processen mengen zich. Natuur, economie, waarden, gebruiken, geschiedenis, energie, water… ze buitelen over elkaar heen. Uit die complexe chemie ontstaat iets onvoorspelbaars. De Franse auteur Giono schreef het mooi:

 

‘On ne peut pas connaître un pays par le simple science geographique (…) On ne peut, je crois, rien connaître par la simple science. C’est un instrument trop exact et trop dur. Le monde a mille tendresses dans lesquelles il faut se plier pour les comprendre avant de savoir ce que représente leur somme.’ (Giono, L’eau vive)

 

Moeten we dan deemoedig afwachten wat het wordt – ons Overijssels landschap? Nee. De WRR zei het zo’n 10 jaar geleden kort: de toekomst is open, maar niet leeg. Hij is niet leeg. We hebben te maken met een realiteit vol eigenaardigheden en gegevens: de mensen en de manier waarop zij nu leven en werken, machines, gebouwen, bossen, water, beesten. Maar de toekomst is tegelijk ook open. Er is onzekerheid. We weten niet precies de uitkomst van het samenspel van al die factoren. Het is goed die in kaart te brengen. Dat is wat we doen, in de verkenning Landschap 2050. Waarom? Omdat uiteindelijk één van die onzekerheden de mens is. Wij kunnen handelen. Wij hebben onze idealen. Wij kunnen een toekomst die wij niet wensen, proberen te vermijden. Een toekomstverkenning is een eerste stap om het landschap weer maakbaar te maken.