11/02/2016

Helpt het dorp de ouderen?

Kleine Gebaren, onder die prachttitel publiceerde het Sociaal Cultureel Planbureau afgelopen week een onderzoek over het belang van dorpsgenoten voor ouderen op het platteland [1]. Het is een mooi, precies rapport over een onderwerp waarover vaak in sjablonen gedacht wordt. Het dorp, daar zit het wel snor met de hulp. Mensen kennen elkaar, ze hebben nog tijd voor een praatje: sociale cohesie als fundament voor de participatiesamenleving.

 

Is dat zo? Het SCP zegt het in twee zinnen. Jazeker, dorpen ´bieden een warme, vertrouwde omgeving aan oudere dorpsbewoners die kampen met verlies en afnemende mogelijkheden’. Het vervolg is net zo belangrijk: ´Maar als vangnet voor de meest kwetsbaren is dat niet betrouwbaar genoeg’ [2].

 

 

´De´ dorpeling bestaat niet. Er zijn mensen die in de samenleving zijn opgenomen, terwijl anderen losser banden hebben. Inkomens verschillen. Het ene gebrek is ernstiger dan het andere. Het blijkt dat kwetsbare ouderen met weinig inkomen minder hulp krijgen. Meer dan de helft van de bewoners met zware lichamelijke beperkingen zou wel meer hulp van dorpsgenoten willen ontvangen [3].

 

De boodschap is nuchter: sociale cohesie is goed voor de sfeer en de weerbaarheid van een dorp, maar is geen garantie voor hulp in concrete situaties van oudere dorpelingen.
Dit rapport komt op tijd. De vergrijzing zal de komende decennia groot zijn. Het beleid is dat mensen zolang mogelijk thuis wonen. Het is goed om daarbij uit te gaan van reële verwachtingen van hulp uit de omgeving.

 

Het SCP geeft ook een suggestie. Het blijkt dat ouderen relatief vaak hulp krijgen door bemiddeling van derden: via instanties, of bijvoorbeeld familieleden [4]. De oudere durft het zelf niet te vragen, of mensen weten niet of ze wel hulp kunnen bieden. Er zijn ook in dorpen hulpbronnen die niet aangeboord worden.

 

 

Voetnoten:

  1. Lotte Vermeij (SCP), Kleine gebaren. Het belang van dorpsgenoten voor ouderen op het platteland, Den Haag, 2016.
  2. Idem, blz. 41.
  3. Idem, blz. 36.
  4. Idem, blz. 36.