31/10/2010

Stentor: Heeft het dorp toekomst?

  • Artikel verscheen op 31 oktober 2010 in de Stentor. Auteur Anne Boer.

Het Dorp, geschreven in 1966, opgenomen in 1969, was in 1974 kort na zijn overlijden een bescheiden hit voor Wim Sonneveld. Het liedje vertelt in een paar woorden 43 jaar na dato nog steeds het hele verhaal. De wereld verandert en het dorp gaat mee. Er komen zelfs zoveel veranderingen op het platteland af dat de toekomst van het dorp meer dan ooit serieus op het spel staat. Neem alleen al de krimp van de bevolking en de agrarische sector.

 

Trendbureau Overijssel doet onderzoek om de discussie op gang te brengen. Nederland telt rond de 440 gemeenten en ruim 6.500 dorpen. De meeste dorpen, twintig procent van allemaal, zijn in Friesland te vinden. Gelderland telt er ongeveer 700; Overijssel rond de 340. Maar overal hebben ze hetzelfde probleem. De kernvraag richt zich volgens Hans Peter Benschop van Trendbureau Overijssel op de levensvatbaarheid van de kleine gemeenschappen. Worden het zielloze filialen van de stad of toch zelfredzame eenheden?

 

“Over het algemeen doen de dorpen het heel goed. Mensen wonen er graag, maar er komen wel veel ontwikkelingen op de dorpen af. De grote vraag is hoe houden we de bevolking vitaal en het voorzieningen-niveau op peil? We zien de relatie tussen stad en platteland sterk veranderen, niet alleen fysiek, maar vooral ook in sociale structuren en functies. Er komen mensen van buiten in de dorpen wonen. Steeds minder mensen verdienen hun brood in de landbouw. Mensen worden mobieler. Daardoor komen voorzieningen in het dorp onder druk. Het platteland wordt steeds afhankelijker van de voorzieningen van de stad. Andersom zie je dat de stad steeds meer zorg, recreatie en verblijfsfuncties naar het platteland exporteert.”

 

Benschop is gebiologeerd door de vraag wat wij als gemeenschap nog met elkaar hebben. “Niet alleen in dorpen, maar ook in de wijken. We leiden steeds meer een bovenregionaal leven: we wonen hier, werken daar, doen boodschappen elders. De sociale samenhang verandert daardoor. Nog maar 25 procent van de dorpelingen is ook echt geboren in het dorp zelf. 75 procent dus niet. We moeten een nieuw evenwicht zien te vinden.”

 

Over de toekomst van het platteland heeft hij onder meer gesproken met diverse deskundigen en organisaties. Dat leverde uiteindelijk vier scenario’s op. Van een absoluut rampscenario waarbij de dorpen leeglopen tot een hernieuwde opleving van het dorp, maar wel in een modern jasje. Nieuwe trends en nieuwe spelers in de wereld brengen ook nieuwe impulsen naar  het platteland. Glasvezel maakt het bijvoorbeeld mogelijk wereldwijd te werken vanaf het platteland. “Dit kan ook de vestiging van nieuwe beroepsgroepen betekenen, maar ook nieuwe vormen van dienstverlening en zorg op afstand, de virtuele verpleegster en arts via een breedband-verbinding voor internet.”

 

De speurtocht van Trendbureau Overijssel leidde tot vier scenario’s (zie hieronder) voor het jaar 2030. In alle gevallen blijkt dat het nabuurschap verder zal veranderen. Sociale binding in het dorp zal meer een keuze dan een noodzaak worden. Dit hoeft niet per se slecht te zijn, vindt Hans Peter Benschop. “Dorpen kunnen ook zonder nauwe banden heel sociaal en vitaal zijn. Wel belangrijk is om te onderkennen dat minder zelfredzame mensen daardoor in het gedrang kunnen komen.”

 

De demografische ontwikkelingen, vrijwel overal vergrijzing en soms ook krimp van de bevolking, is ook in alle scenario’s een belangrijke zaak. Vooral dorpen die minder goed liggen, lees het verst van de ‘bewoonde’ wereld, krijgen het moeilijk. Toch gelooft Benschop persoonlijk in de toekomst van de dorpen. “Het zal niet overal goed gaan, maar er blijft altijd behoefte aan diversiteit. Niet iedereen wil in de stad wonen. Dertig procent van de stedelingen heeft wel eens overwogen naar het platteland te gaan. Het is er gezonder, veiliger en rustiger. Bovendien denk ik dat de stad het land gewoon meer nodig gaat hebben. Niet alleen voor de ruimte maar waarschijnlijk ook voor de voedselproductie.”

 

De scenario’s zijn weldoordacht maar bieden geen enkele garantie voor de toekomst, haast Hans Peter Benschop zich te zeggen. “Niemand kent de toekomst. Het heden heeft veel mogelijkheden in zich. We brengen ook extremen in om de geesten verder op te rekken en om met een andere blik te kijken naar nieuwe ontwikkelingen. Dit is vooral belangrijk om trendbreuken te vinden en alternatieven, die bestaande werkwijzen en oplossingen overbodig maken. Het stenen tijdperk is immers ook niet geëindigd omdat de stenen op waren. De vraag is of bewoners van kleine kernen de vier beelden herkennen en ze als plausibel of waarschijnlijk ervaren. En of ze helpen bij het nadenken over morgen.”

 

Het Dorp in 2030

De wereld is een dorp.
De wereld is een dorp geworden met het platteland als groene long van de wereld. De Nederlandse overheid speelt geen grote rol van betekenis meer. De mensen zijn zelfredzaam, waardoor het dorp een uitvalsbasis is geworden. Voorzieningen zijn weg maar de afstand is geen bezwaar meer. Dorpelingen zijn mobiel en halen hun kwaliteit van leven waar het te halen is. Dat kan net zo gemakkelijk in een nabijgelegen grote stad zijn als in Milaan of New York dat met het vliegtuig steeds makkelijker en sneller bereikbaar wordt.

 

Dorp profiteert van eigenheid.
Dorpen zetten hun eigenheid om in klinkende munt. Mensen komen er voor bezinning, de kloostertuin en de kibboets. De landbouw is vooral gericht op streekproducten. Daarnaast is toerisme belangrijk. Moestuinen worden aan stedelingen verhuurd om hen weer eens de klei aan de handen te laten voelen. Stedelingen zijn bereid te betalen voor de natuurbeleving. De energievoorziening is radicaal gedecentraliseerd. Het dorp is er trots op dat het voorziet in de eigen energiebehoefte. Het Bruto Regionaal Geluk is groot.

 

Dorp om te wonen.
Het dorp als ideale woonplek voor stedelingen. Het is veilig voor kinderen en ouderen, de lucht is er schoon, de mensen groeten elkaar, we joggen door velden en bossen, kijken uit op een mooie tuin en even verderop de bosrand. Maar de nieuwe inwoners hebben geen boodschap aan tradities. Die verdwijnen uit het dorpsleven. Maar voor zoiets als noaberschap komt gecalculeerde burenhulp terug. Bij binnenkomst in het dorp onderteken je een contract waarin je zegt welke diensten je kunt leveren aan anderen. Hiermee kunnen punten worden verdiend waardoor je minder belasting hoeft te betalen.

 

Dorp loopt leeg.
Jongeren trekken naar de steden waar werk is. Gebieden ver van de snelwegen vergrijzen en verarmen. Uiteindelijk zien overheden geen andere keuze dan de bewoners die er nog zijn te concentreren, waardoor het dorp bijna stad wordt. Op die manier kan vrijkomende ruimte worden gebruikt voor landbouw of ‘energieteelt’. Langs de wegen ontstaan woon- en werkdorpen. Boeren wonen in kassen met uitzicht op gerobotiseerde landbouwwerktuigen die op afstand worden aangestuurd.