Pauline Meurs (28-05-2015)

Graag wil ik uw uitnodiging voor het houden van deze lezing ook gebruiken voor mijn eigen doel. Sinds 1 januari ben ik voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. Dat is een samenvoeging van twee Raden – De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). Wij zijn nu bezig met het maken van ons werkprogramma. Ik hoop tijdens de discussie door u gevoed te worden. Wat gaat u aan het hart, als we het hebben over de zorg en de brede sociale domeinen? Waar bent u trots op? Welk taboe zouden wij eigenlijk moeten doorbreken? Wat zou u doen als u in mijn schoenen zou staan? Wat is dan de top drie aan onderwerpen waarvan u vindt dat de Raad echt een advies over moet schrijven?

 

De nieuwe Raad bestrijkt een breed domein. Het gaat zowel om de zorg, als over het gehele sociale domein. De samenvoeging van de twee adviesraden is meer dan een organisatorische kwestie. Het isde inhoudelijke erkenning dat sectorale- en domeingrenzen weinig bijdragen aan de kwaliteit van zorg en de kwaliteit van leven. Veel aspecten in het sociale domein zijn vitaal voor de gezondheid en andersom zijn gezonde burgers letterlijk van levensbelang voor de vitale samenleving. We hebben de afgelopen jaren misschien teveel vanuit verschillende perspectieven gekeken in plaats van deze perspectieven te laten kruisen. En de grote transisitie waar u allen met het lokale bestuur en de lokale praktijk mee te maken heeft sluit hier bij aan. De WMO, de Wet langdurige zorg, de Jeugdzorg, de Participatiewet: ze zijn allemaal bedoeld om lokale praktijken te versterken. Maar ze zijn misschien vooralbedoeld om ervoor te zorgen dat vernieuwende verbanden worden georganiseerd die ook effectief zijn en bijdragen aan het welbevinden van burgers.. Ik hoop dat de Raad daar aan bij kan dragen.

 

Wat ik wil doen is iets vertellen over het decor, het verhaal, het spel, de spelers, de regisseur en de coulissen rondom de zorg. Ik eindig met de moraal. Dat is tegelijk ook de opbouw van mijn lezing.

 

Eerst het decor. In China moeten volwassenen hun ouders regelmatig bezoeken. De overheid heeft de bezoeken van kinderen aan hun ouders verplicht gesteld. Sterker nog: er is overwogen de kinderen straf te geven als ze verzuimen hun ouders te bezoeken en te verzorgen. Ze riskeren zelfs dat ze door hun ouders worden aangeklaagd. Zoiets kunnen we ons in Nederland natuurlijk niet voorstellen. En toch speelt ook hier en in andere Europese landen, net als in China, de kwestie van de vergrijzing en de daaraan gerelateerde zorgvragen. Je zou kunnen zeggen: China dwingt via regelgeving en sancties zorg af; in Nederland en andere Westerse verzorgingsstaten kiezen we ervoor om burgers aan te sporen om zelf een actieve bijdrage te leveren aan zorg en welzijn. Het is geen verplichting, het is meer een moreel appèl. Soms misschien wat dwingender: een moreel appèl dat niet meteen terzijde kan worden geschoven.

 

De roep om eigen verantwoordelijkheid en een eigen actieve bijdrage van burgers is niet iets wat per se bij dit decennium hoort. Het is nu actueel, maar we zagen het eigenlijk al in de loop van de tweede helft van de vorige eeuw. Ik ga daar even naar terug om te begrijpen hoe dat decor er vandaag uitziet en wat er is veranderd ten opzichte van dertig à veertig jaar geleden. De sociologen Kees Schuijt en Jacques van Doorn publiceerden in 1978 “De stagnerende verzorgingsstaat”. Zij beschreven hoe de verzorgingsstaat in een crisis was beland. Door de economische crisis groeide het beroep op de sociale voorzieningen, terwijl de overheid moest bezuinigen. Het is alsof we het over vandaag hebben. Van Doorn en Schuijt stelden toen al dat het probleem van de verzorgingsstaat fundamenteler was dan alleen een druk op de sociale voorzieningen. De echte crisis gold volgens hen door de te hoge verwachtingen van het systeem en de lage verwachtingen van het eigen initiatief van burgers. Een citaat: ́De verzorgingsstaat stempelde de burger tot een zwak en afhankelijk mens, resulterend in staatspaternalisme en welzijnspatronage. ́ Deze begrippen zouden we denk ik vandaag niet meer zo gemakkelijk gebruiken. Maar wat we wèl zien in de laatste ca. veertig jaar, is dat deze lijn van denken op een bepaalde manier is doorgezet. In de jaren ́90 werd daarbij op het begrip ́de calculerende burger ́ gemunt. Hiermee werd gedoeld op een groeiend gebrek aan plichtsbesef en daarmee samenhangend misbruik van voorzieningen. Ook toen werden morele categorieën niet geschuwd. En in diezelfde lijn stelde de Engelse psychiater Dalrymple dat de ideologie van de verzorgingsstaat mensen ontslaat van hun persoonlijke verantwoordelijkheid, hen daarmee afhankelijk maakt en zo een onderklasse in stand houdt. Hij stelde derhalve het paternalisme en patronage centraal. En als je terugkijkt dan zou je kunnen zeggen: de probleemdiagnose was toen behoorlijk eensluidend. Een te grote verzorgingsstaat waar een te groot beroep op werd gedaan en afhankelijke, calculerende burgers met te weinig plichtsbesef.

 

De laatste 30 jaar heeft de overheid op twee manieren gereageerd. Eén belangrijke beweging was de versobering van de voorzieningen: denk aan de WAO, de Ziektewet, de bijstand. De tweede lijn was de activering van burgers. Maar, en dat is belangrijk, was die activering van burgers vooral bedoeld om misbruik van voorzieningen tegen te gaan. De vraag die ik met u wil proberen te beantwoorden, is of de context van vandaag nu het logische gevolg is van die beweging die eigenlijk in de 80-er jaren al is ingezet…..