Peter van Lieshout (18-03-2014)

Investeren in het verdienvermogen van Nederland

 

Peter van Lieshout begint te vertellen over de doelstellingen van het WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’.
Allereerst hoopten ze voordat het stof van de financiële crisis zou neerdalen en de reflex om weer ‘business as usual’ te krijgen, een andere manier van kijken en werken te introduceren. Het besef moet er zijn dat de wereld nooit meer zo wordt als in de tweede helft van de twintigste eeuw. Daarnaast wilde de WRR het debat voeren over de productieve kant van de economie en niet over de herverdelende kant, zoals de politiek dat nu vaak doet. Dus meer investeren in het verdienvermogen van Nederland.
Ten slotte wilde de WRR met het rapport de regering verder laten kijken dan het beeld van het geven van subsidies aan bedrijven, maar het economisch beleid vanuit een breder politiek perspectief aanvliegen dan normaal is in Nederland.

 

In veel landen staat er grote druk op het groeibeleid. Men heeft de neiging vooral specifieke sectoren producten te benoemen en daar topbeleid op te zetten. Maar dit heeft enkel op korte termijn succes. Van Lieshout is teleurgesteld dat landen nergens met een interessante onderbouwing voor de keuze van specifieke sectoren project komen.
Wordt er een slagje dieper gekeken dan is de marktkapitalisatie van bijvoorbeeld Apple groter dan ooit. De levenscyclus van een product wordt steeds korter en dat geldt ook voor de duur van marktleiderschap. Adaptieve economieën scoren iets beter dan de landen die dat niet hebben. Wij denken in Nederland dat we dat zijn, maar dat valt tegen. Een adaptief systeem biedt ruimte voor variatie en selectie en ons systeem kent dat niet zoveel. In China bijvoorbeeld wordt beleid op kleine schaal uitgeprobeerd en daarna op een aantal plekken opgeschaald, voordat het op landelijk niveau wordt ingevoerd. Dan hebben we in Nederland nog wel een aantal stappen te zetten. Het heeft te maken met veerkracht. Wij zijn afhankelijker van anderen dan we realiseren. Moderne economieën maken veelal intermediaire goederen en daar is Nederland geen uitzondering op. Er is geen sprake van het maken van een compleet product, bijvoorbeeld een auto, dat wordt verkocht aan een ander land. Wij zitten in hele ingewikkelde ketens, waar verschillende landen een kleine rol in vervullen.
Proactiviteit kennen we ook niet zo. In Oost-Azië gaat het economisch goed. Niet doordat ze de comparatieve voordelen uitbuiten, maar doordat zij steeds beleid voeren op een volgende fase, de ‘carrot instinct benadering’. Dit is een proactievere benadering.